zondag 29 mei 2011

Operadagen Rotterdam: slotgala met Anna Caterina Antonacci

Het vocale vuurwerk kwam gisteravond niet alleen van het podium. Een man in het publiek slingerde in de halve seconde tussen het wegsterven van de muziek en het applaus een zeer forte 'brava!' de zaal in na iedere aria van sopraan Anna Catarina Antonacci. Het paste wel bij de ambiance van een enigzins sjiek operagala. Ik zou, als ik directie van De Doelen was, misschien wel bewust op zoiets aansturen en iemand voor een boekenbon vragen dat soort 'echte' opera-elementen in de voorstelling te stoppen.
Ze was eerder in Rotterdam maar ik had Antonacci nog niet live gehoord. Ze was deel van het grootschalige einde van tien zeer gevarieerde Operadagen Rotterdam. Die boden een uiterst breed scala van traditioneel tot supermodern, van klein tot groot en van klassieke theaterzaal tot locatievoorstellling.
Het RphO is dezer dagen veel in 020 te vinden in de orkestbak van het Muziektheater. Daar begeleiden ze 'Der Rosenkavalier', in Rottterdam was het Mozart, Wagner en de Fransen Berlioz en Massenet.
In kleine bezetting bracht het orkest de fonkelende ouverture uit La clemenza di Tito, waarna de sopraan zich voor het orkest opstelde voor 'Parto Parto', een aria uit dezelfde opera. Groot applaus en dat 'Brava!'. Meteen erna volgde 'D'Oreste, d'Aiace' uit 'Idomeneo'. Het Rotterdamse publiek reageerde zelfs op deze provocatie -deze aria heet vertaald in het Nederlands 'Van Orestes en van Ajax'- met een ovatie. Met een een aria uit 'Faust' van Berlioz eindigde het eerste deel.
Groot bezet begon het orkest aan deel twee na de pauze. De Wagner-ouverture van 'Der fliegende Hollander' was hard maar verukkelijk dynamisch en Groot-Wagneriaans, met glanzend koper. Een man op een plaats achter het podium stopte nadrukkelijk zijn vingers in zijn oren. Dat deed hij later ook toen Antonacci zong. Merkwaardig.
Met instrumentale en vocale stukken uit Carmen besloot het Operagala. Waar sopraan, orkest en publiek zich aan alle conventies hielden en waar het, wellicht daardoor, ook wel een beetje saai en risicoloos was.

De organisatie van de Operadagen Rotterdam liet zondagochtend via Twitter weten wat het thema volgend jaar zal zijn:

zaterdag 28 mei 2011

Juliette Greco in Carré en pleine forme

Juliette Greco was voor het eerst sinds lang weer eens in Nederland en ik was erbij in Carré. Hoewel ik al heel lang erg graag luister naar een van de laatste groten van het klassieke, literaire chanson, ben ik redelijk laat begonnen aan haar concerten. De eerste keer dat ik Greco live zag was in het Theatre Chatelet in Parijs. Ze  vierde haar tachtigste verjaardag  in 2007 en deed in het Parijse theater aan de Seine een serie van vijf  avonden.
Nokia filmpje
Waar tegenwoordig na ieder groot concert tientallen filmpjes in no time op YouTube komen, was dat voor die vijf avonden in Chatelet niet het geval. Sterker nog, ik was de enige. Dat zal de reden zijn dat mijn Nokia-opname - discreet gemaakt bij de toegift om niemand te storen- als enig verslagje al wel 4500 keer bekeken is. Het is een filmpje van niks, maar wel de start van een genre dat ik met Nouvelle Vaag zou willen aanduiden. Het Carré-proletariaat zat overigens helemaal niet met de overlast die al die schermpjes geven. Zelfs in een complete black out, belangrijk stijlmiddel bij het belichten van het chanson, wemelde het van de schermpjes en enkele extreme dumbo's gebruikten zelfs flits.

De oude dame
Een gemengd publiek, met veel mensen die je als oud&arty zou kunnen omschrijven, vulde de foyers van Carré. Een echtpaar aan mijn tafeltje kwam letterlijk zo van Schiphol binnenhijgen, blij dat ze het gered hadden. Hij was fan, zij ging solidair mee. Dat deed ze al in de jaren '60.
Speelt het feit dat de oude dame al 84 is een rol bij het kijken naar zo'n optreden? Ja, en nee. Natuurlijk ben je benieuwd of ze het nog allemaal redt, vraag je je af hoe lang ze zal optreden en merk je de discreet tussen de audiomonitoren opgestelde autocue-schermen op.
Maar:  je moet misschien wel zo oud zijn om zulke doorleefde uitvoeringen te geven van stukken als 'Avec le temps' van Leo Ferré, dat een rauwe uitvoering kreeg. 'Ne me quitte pas' zong ze misschien wel twee keer zo snel als vroeger, met andere accenten. Het repertoire en de stijl van Greco zijn tijdloos en dan maakt leeftijd niet zo veel uit.

Begeleiders
Ze bracht alleen echtgenoot en vaste pianist Gérard Jouannest en een accordeonist mee. Jouannest is altijd de bescheiden begeleider op het podium, die pas de zaal inkijkt als hij wordt voorgesteld en dan hoofs buigt naar zijn echtgenote. Toch is het die meneer aan de vleugel die verantwoordelijk is voor al die muziek bij veel chansons van Brel. Dat repertoire speelde in het Carré-optreden een grote rol. Oud en moderner repertoire zong Greco, een paar, maar niet teveel verplichte nummers als 'Deshabille-moi' en 'Jolie Mome'.
Jammer genoeg niet Julien Clercs 'Utile', dat ze zo mooi zingt en niet het oer-chanson 'Les feuilles mortes'. Wel een blokje Gainsbourg-chansons, met daarin zijn lied over 'Les feuilles mortes', dat 'La chanson de Prévert' heet en een van de mooiste liedjes is die ik ken.

Modern repertoire
Geen lange verhalen, wat korte grappen, en consequent de namen van schrijver en componist, zoals ze dat al eeuwen doet. Greco is zich zeer bewust van haar rol en verantwoordelijkheid als interprete. Ze opende met een nieuw stuk, 'Je me souviens de tout', van een cd uit 2009, over haar herinneringen aan de oorlog. In die sfeer was ook 'J' arrive', het lied over de dood, dat Brel schreef. Het werd subtiel maar theatraal uitgelicht. Het licht speelde een vrij grote ondersteunende rol op het podium.
Dat Greco niet is blijven hangen in de fifties bleek uit de samenwerking de laatste jaren met schrijver/rapper (eigenlijk slammer) Abd Al Malik. Op dit filmpje doet ze live haar bijdrage aan een van de stukken op Malik's mooie cd 'Dante.

Malik is een poetische slammer, net als Grand Corps Malade, die alleen met gesproken woord en een begeleiding werkt.

Het was een mooie avond aan de Amstel, in Carré, dat voor een paar uur ook wel de Olympia, of Bobino leek te zijn.
______________________________________________________
Juliette Greco met o.a. Gérard Jouannest
Carré
27 mei 2011




donderdag 26 mei 2011

Container: Interessant..en toch goed

Het was niet eenvoudig om vooraf een beeld te krijgen van wat je kon verwachten van de locatievoorstelling 'Container'. De vraag is of dat nodig is. ‘Laat je verrassen’ zei een dame bij de kassa op de vraag van een bezoeker naar een programmaboekje.
'Container' is een productie van regisseur Sjaron Minailo. Hij was eerder verantwoordelijk voor 'De Cornet', de openingsvoorstelling van 2011 van de Operadagen Rotterdam waarover nu nog gepraat wordt.
De voorstelling is gebaseerd op de film 'Container' van de Zweedse regisseur Lukas Moodysson. Zijn art house films bereiken geen groot publiek, al was ’Fucking Åmal’ een behoorlijk succes. Elena Vink, speelt en zingt de enige rol. Haar cv vermeldt een breed repertoire van Mozart en Haydn tot muziek uit de avant-garde. Het duo Glowicka & Vega maakte de muziek.

Het decor, of de installatie, is opgebouwd in de bibliotheek van het Nederlands Architectuur Instituut in het Rotterdamse Museumkwartier. We zien een meisjeskamer. Een meisje van het slordige soort. Maar later blijkt het ook de ruimte van onder meer een operazangers en een vrouw die evangeliseert. Rommelig, hard verlicht met tl-balken. Kleding en pruiken en oh ja, kauwgum, een binnen het muziektheater vast weinig gebruikt attribuut. Op de achtergrond een filmdoek, losjes opgehangen, waarop de film 'Container' wordt geprojecteerd.Het verhaal begint met de opkomst van zangeres Elena Vink. Hard zwart haar, kinky laklaarzen tot ver boven de knie. Zwijgend zit ze voor de make up tafel. Op de geluidsband is haar stem te horen. Een stem die zacht praat maar dat dicht in de microfoon doet. Flarden tekst, met zinnen als: ‘Brad Pitt will come to Sweden to marry me’. Soms playbackt ze mee met de band, af en toe praat of zingt ze.
Vink speelt vier figuren die één personage vormen. Sommigen zijn duidelijker dan anderen. Heel concreet wordt het als we de operazangers te zien krijgen. De tv springt aan en er start een opname van Elena Vink in het Concertgebouw. In alle vervreemding klinkt ineens de stem van Hans van den Boom van Radio4 die haar aankondigt. Ze zingt 'Hölle Rache' uit de 'Zauberflöte'. De actrice playbackt met veel ironie mee, de kinky outfit is verruild voor een operajurk.
‘I am not a celebrity’ zegt ze, als de video stopt. Ze blijft preluderen op de aria, tot ze in een volgend deel als evangeliste eindigt.

Er is veel ‘aanwezig’ in deze voorstelling. Fascinerend aanwezig is Elena Vink die, ook op momenten dat tekst en handeling verwarrend of onduidelijk zijn, de aandacht vangt en niet meer loslaat. In elke fase van het stuk en na elke verkleding glijdt ze moeiteloos in een nieuw karakter.
De muziek is hard, onontkoombaar. De teksten, waarvan flarden herhaald worden, zijn lang en soms onduidelijk. Het vraagt veel aandacht om zowel de aanwezigheid van de actrice als de beelden op het doek en de geluidstrack parallel te blijven volgen.

Interessant, dat vind ik wel een goede omschrijving van mijn indruk van 'Container'. En dan niet het ‘interessant’ waarmee je voorkomt dat je iets zinnigs moet zeggen over een volstrekt onbegrijpelijk kunstwerk. Interessant, in de betekenis van: nooit eerder gezien, vernieuwend, niet meteen helemaal begrijpelijk maar de moeite van het meemaken meer dan waard.

_________________________________________________
Productie: Studio Minailo in coproductie met Operadagen Rotterdam
Regie: Sjaron Minailo
Muziek: Glowicka & Vega
Zang/spel: Elena Vink

dinsdag 24 mei 2011

Toooo much Medea

Daar ging mijn beginzin. Op weg naar 'Medea' in de Rotterdamse Schouwburg had ik bedacht de recensie van deze voorstelling in de Operadagen Rotterdam te openen met een opmerking over het enorme spectrum aan vormen, soorten en stijlen van opera die in deze tiendaagse voorbijkwamen. En dat het wellicht juister zou zijn te spreken van ‘muziektheater dagen’.
Inleider Paul Slangen, de dramaturg van de Veenfabriek, kwam met een theorie, een letterlijke formule die het onderscheid aantoonde tussen opera en muziektheater. Hij stelde, op basis van de muziektheoretische opvattingen van schilder en denker Kandinsky, dat bij de opera de formule 1+1=3 opgaat. Toneel en zang zijn eigen disciplines, die samenwerkend tot een groter geheel komen. Bij muziektheater luidt de formule 1 – 1 = 2. De disciplines moeten ruimte maken voor elkaar om tot meerwaarde te komen. Dus muziektheater als hoofdbegrip van een genre waaronder ook opera valt, dat is nog maar de vraag.
Dat 'Medea' geen traditionele opera was, bleek uit de opstelling op het podium van de Rotterdamse Schouwburg. Musici, acteurs, de zangers zaten op één lijn. Figuurlijk, waarschijnlijk, maar vooral letterlijk, ieder op een ander soort stoel of zetel. Concentratie in plaats van de gezelligheid van een halve cirkel, dat wilde regisseur Paul Koek.
Er waren monologen, geschreven door Paul Verhelst, en er was zang, door de Turkse zangeres Selva Erdener. Haar ‘Lamento’ was een woordeloos gezang, dat door de hele voorstelling klonk. Het orkest had Oosterse en Westerse instrumenten. Die gaven, begeleid door muziek op een geluidsband, een bijna hallucinerend geluid. Bewust waren de klanken van fluit, viool en klarinet gemengd met percussie en duduk, een blaasinstrument dat dicht bij de menselijke stem ligt. Componist Wim Henderickx speelde percussie en dirigeerde zijn muziek vanuit het midden van de rij.Verhelst’ monologen waren rijk van taal en stonden centraal in deze voorstelling met 4 monologen. De verhalen van Kreon, de koning van Corinthe en diens dochter Glauke openden de voorstelling. In de rij zaten de musici en de andere acteurs voor de rollen van Jason en Medea. Ook als zij geen tekst hadden speelden ze. Zonder woorden waren er grote emoties, hels verdriet en de barensweeën van Medea. Alle vier de karakters uit deze opnieuw van tekst voorziene Griekse tragedie hebben alles verloren en dat lot beleven ze in een hartverscheurende dramatiek.
De manier van acteren, de intensiteit van de emotie en de ongeremdheid van de speelstijl, het spreekvolume, de waanzin, het zijn vormen die je tegenwoordig bij veel modern toneel uit Vlaanderen en Nederland meemaakt.
Daar hebben we in het hedendaagse spraakgebruik een allesomvattende en veelgebruikte term voor, die voortdurend in mijn hoofd zat bij het kijken naar Medea: heftig.
Te heftig, mag ik wel zeggen…
______________________________________________
Medea
De Veenfabriek / Muziektheater Transparant is.m. HERMESensemble
Regie: Paul Koek
Muziek: Wim Henderickx
Tekst: Peter Verhelst
24 mei in Rotterdam.

maandag 23 mei 2011

Angelika Kirchschlager: Jaugzend und betrübt

Op de foto die in de publiciteit van de Rotterdamse Operadagen wordt gebruikt, kijkt ze stoer en een tikje spottend in de lens. Angelika Kirchschlager, mezzo-sopraan uit Oostenrijk. Ze heeft bij mijn weten niet vaak in Nederland opgetreden. In 2002 deed ze tijdens een Europese tournee met het Orpheus Chamber Orchestra het Concertgebouw aan. Ze is een geslaagde zangeres die, inmiddels halverwege de 40, met grote dirigenten, op belangrijke podia in spraakmakende producties heeft gestaan. Twee jaar geleden in The Met, in Hänsl und Gretel van Humperdinck. Eerder, in 2004 in Salzburg, als Octavian in Der Rosenkavalier.
Toch is opera niet haar enige vakgebied. Live en op de plaat is de liedkunst een ander favoriet terrein van de mezzo. Ze nam voor Hyperion alle Brahmsliederen op en maakte platen met liederen van Schumann en Hugo Wolf.
In het brede en overvolle programma van de Operadagen Rotterdam was het recital dat Angelika Kirschschlager met haar vaste begeleider Helmuth Deutsch afgelopen zondagmiddag in de Grote zaal van De Doelen gaf, een prettig rustpunt. Ze had gekozen voor 4 componisten en voor schakeringen van droefheid, grote droefheid, oneindige droefheid, uitzichtloze droefheid maar ook af en toe wat lichters.

In een samenwerking met begeleider Deutsch, zichtbaar gebaseerd op blind vertrouwen, weefde ze een klanktapijt in 27 kleuren, waar geen rafel, geen vlek en geen scheurtje aan te ontdekken viel. Alle muziek, alle teksten kwamen even gemakkelijk, trefzeker en mooi golvend uit haar mond. Ze zette boogjes in die richting hadden en waarvan duidelijk was dat ze exact wist waar het heen ging. Zingen met ronde hoeken, dat is een typering die bij Kirchschlager past. Het zag er bijna moeiteloos uit, ze liet muziek en tekst het werk doen. Een enkel lied had zoveel humor en kwam met zoveel plezier de zaal in dat het publiek in goedbedoelde obstructie soms ook tussen blokken liederen door applaudisseerde.
Somberheid, treurnis, donkerte, het was er allemaal. Melancholie soms, in een Brahms-lied als Űber die Heide. ‘Leben und Liebe – wie flog es vorbei’. Schuberts ‘Gretchen am Spinnrade’ kwam eerder stoer dan smachtend tot leven. En van Goethe’s gedicht Klärchen’s Lied (Die Liebe), dat in 9 regels de gestalten van de liefde beschrijft, was die ene beroemde zin ook een weergave van de breedte in emoties die Kirchschlager bereikt:’Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt'.Liszt, muzikaal net wat eigenzinniger dan de anderen, was vertegenwoordigde met het bittere ‘Vergiftet sind meine Lieder’. Liederen van Mahler uit Des Knaben Wunderhorn maakten het programma compleet.
Er komen nieuwe kansen om Kirchschlager in Nederland aan het werk te horen. In het Holland Festival is ze op 15 juni 2011 in Amsterdam voor The Rape of Lucretia van Benjamin Britten, samen met onder andere Ian Bostridge. En in februari 2012 staat ze opnieuw op het Doelenpodium, samen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de Kindertotenlieder van Mahler.
__________________________________________
Angelika Kirchschlager, mezzo-sopraan
Helmuth deutsch, piano
Liederen van Schubert, Mahler, Liszt en Brahms.
22 mei 2012 in de Doelen in Rotterdam.

zondag 22 mei 2011

Mahlers melancholie

Het publiek dat een van de concerten op de tweede avond van de Operadagen Rotterdam wilde bezoeken, moest het centrum, uit. Door het park, of over de dijk, naar de tv-studio in de Schiecentrale. De omgeving van de Mullerpier is omgevormd van oude havenactiviteiten naar wonen en werken in de audiovisuele media, filmproductie en de kunst. Er zijn allang geen Komponierhauschen meer, zoals Mahler er een bezat, er zijn nu studio´s waar componisten achter Apple-computers aan klankdesign werken.
Zonder Apple deed Mahler dat in feite ook. De klankwereld in Mahlers Lied von der Erde, op grond van de enscenering vertaald naar Het lied van de aarde, heeft een trage, diepe melancholie. Het is de vraag in hoeverre Mahlers levensomstandigheden een rol speelden bij de keuze voor muziek en tekst. Die Chinesische flöte van Hans Bethge bood Mahler de tekstuele basis voor muziek die somberheid en melancholie uitdrukt, veel meer dan in de stralende werken uit zijn eerdere periode.
Reinbert de Leeuw bewerkte vorig jaar Das Lied voor klein ensemble. Er kwam een partituur voor slechts 13 musici van Asko | Schönberg. Regisseur Neil Wallace maakte voor de Operadagen een semi-enscenering voor de grote speelvloer van de studio. Als achtergrond was er een grote videowand. Wallace maakt vaak gebruik van dat medium. Er waren twee solisten, die heel wat meer deden dan Liederkunst en net wat minder dan gespeelde opera. De rol die tenor Yves Saelens zong, vraagt veel van een zanger. In sommige delen is het geluid van een heldentenor gewenst, in andere moet het lyrisch klinken en meer gevoileerd. Die beide kanten waar vocaal dik in orde. Ook de rol die in de enscenering was ontstaan vroeg breedte. Het eerste lied, Trinklied vom Jammer der Erde heeft uitgelatenheid in strofen als ‘Ein voller Bechter Weins zur rechten Zeit, Ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde´. Maar er staat ook: ‘Leert eure goldnen Becher zu Grund! Dunkel ist das Leben, ist der Tod´.
Mezzo-sopraan Birgit Remmert heeft alleen op plaatgebied al een enorme Mahler-catalogus gezongen. Bij het tweede lied in de cyclus, Der Einsame im Herbst, nam ze alle ruimte en alle tijd om de diepe melancholie in te kleuren. ´Mein Herz ist müde´, het klonk in haar stem en het was zichtbaar in haar spel. Pas in het laatste lied, Der Abschied, moest ze zwaarder aanzetten, meer geven. ´Ich suche Ruhe für mein einsam Herz’ staat er halverwege, om te eindigen met het wegstervende Ewig…ewig…ewig.
Eigenlijk werden er weinig middelen voor deze productie ingezet. Videobeeld, wat stoelen, periode-kleding voor de solisten, een hoop aarde, meer niet. De melancholie, de doorleefdheid van donkerte en somberheid, hadden niet meer nodig.
Dicht op het orkest, op maar enkele meters afstand van de zangers, was elk detail, elke stembuiging, de klank van cello, harp of hobo en de trage melancholie in volle schoonheid te genieten. Het publiek beloonde alle medewerkers met een stevig applaus, maar eerst met: stilte.

____________________________________
Mahler – Das Lied von der Erde / Het lied van de aarde
bewerking en muzikale leiding Reinbert de Leeuw
regie Neil Wallace

zaterdag 21 mei 2011

Een Dido van nog maar 28

De Operadagen Rotterdam zijn afgelopen vrijdagavond geopend. Buiten gebeurde dat op het Schouwburgplein, waar enkele Rotterdamse koren zongen rond de appel, het symbool van deze zesde editie van het festival. De appel verwijst naar de zondeval in het paradijs, het verloren paradijs. Binnen het festivalthema ‘het verloren paradijs’ koos de organisatie voor de opera Dido and Aeneas van Henry Purcell als opening. Dido verliest zichzelf, wordt haar ergste vijand richting haar dramatisch einde en verliest zo het paradijs.
De voorstelling van regisseur Timothy Nelson en dirigent Nicolas Achten staat meteen. Je voelt dat er, ondanks de complexe thema’s die in en onder het verhaal en de muziek zitten, bij de makers een grote gedecideerdheid is over hoe ze hun versie willen vormgeven. Muzikaal leider Achten heeft jarenlang heel zorgvuldig de partituur en de bezetting bestudeerd. Hij heeft – zo blijkt uit de programmatoelichting- hele uitgesproken keuzes gemaakt voor verklanking en bezetting van het werk. Het orkest, Scherzi Musicali, is met 8 musici heel klein bezet. Het koor heeft één zanger voor elke stem. Met die kleine, authentieke invulling van het muzikale deel gebeurt er in de orkestbak al het nodige, transparant en authentiek.
Je hoort alles, de keuze van de tempi – heel snel in de ouverture en gedragen in de meeste aria’s, de instrumentatie met barokgitaar en slechts 2 violen. Het orkest is erg jong, maar dat geldt eigenlijk voor alle medewerkers aan deze productie.
Op het podium opent het koor met een nerveuze choreografie. In de opvatting van regisseur Timothy Nelson zijn alle rollen, op die van Dido en Aeneas na, niet zozeer karakters maar stemmen en invloeden in het hoofd van Dido. Dat thema staat centraal. Ze zit bedroefd, verweesd, neurotisch aan een tafel. Ze slikt haar laatste pillen. De koorleden beelden de geesten, de rol van Belinda, de second witch en de second woman uit met zang en kleine, scherpe choreografieën. Dido is niet de statige vrouw die haar liefde, tegen haar eigen voornemen in, heeft gegeven aan de prins van Troje om daarna door hem verlaten te worden. De Dido van Rosanne van Sandwijk (nog maar 28 jaar oud) is een getergde, zelfdestructieve vrouw die in een periode van vóór psychotherapie en Rogeriaanse counseling gesloopt wordt door haar gevangenschap in haar eigen emoties. Die richten haar uiteindelijk te gronde.Voor het toneelbeeld en de aankleding werd door de regisseur gekozen voor het Amerika van de jaren ’50. Een vintage koelkast, met skai beklede stoelen en Dido in een glamorous duster die aan Joan Crawford doet denken.
Op vocaal gebied wordt er vaak gebalanceerd tussen zang, spel en choreografie. Olivier Berten, de bariton met veel oude muziek-ervaring, zingt een niet zo aanwezige Aeneas. Hij doet zijn best maar kan weinig betekenen voor de lijdende Dido. Zijn rol en zijn zang zijn klein gehouden. Sopraan Rosanne van Sandwijk zingt uiterst verdienstelijk. Ze zet in met wat vibrato maar zeker in de slotaria is het volume klein, zeldzaam ingehouden. Ze zet geen stevige stem op om te epateren maar alle verdriet in het tragisch einde van Dido zit in haar zang én acteren. Bij Dido’s Lament staat ze alleen op het podium. De glimmende duster gaat uit. Gevangen in een volgspot stapt ze, in een onderjurk, recht naar voren, over de orkestbak de zaal in. Dat ze kan zingen, zag de jury van het Bossche Vocalisten Concours al. Dat ze kan acteren bewees ze vanavond. En dat ze met zoveel kwetsbaarheid een zaal kan ontroeren, dat bleek ondubbelzinnig. ‘Remember me’. Dat zal wel lukken.

vrijdag 13 mei 2011

Figaro versneden tot liedjesprogramma

Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) bestaat al 50 jaar, maar klinkt en toont jonger dan ooit. Dankzij Radio 4 konden we afgelopen weken uitgebreid meeleven met de reis van het ensemble door het Midden-Oosten. Een bezoek van Maartje van ‘De Klassieken’ aan het honk van het NBE jongstleden dinsdag werd bekroond met de bekendmaking dat het NBE de Radio 4 Prijs krijgt.Schijnbaar onvermoeibaar was het ensemble gisteravond naar de Rotterdamse Doelen gekomen, samen met sopraan Johannette Zomer en bariton Frans Fiselier, voor De Bruiloft van Figaro! Dat uitroepteken hoort erbij. Het idee was dat de blazers een ‘kleine’ versie van Mozarts Le nozze di Figaro zouden spelen, dat de zangers met zijn tweeën vrijwel alle rollen voor hun rekening zouden nemen en dat het publiek met de juiste toelichting niet zou verdwalen in het verhaal.
Om die toelichting mogelijk te maken zat hoboïst Bart Schneemann achter een keyboard en deed de verbindende teksten als Basilio, de muziekleraar in het Nozze-verhaal. De solisten hadden voor elke rol kleding en schoenen, zodat het publiek zou snappen wie ze vertolkten.
De musici waren zo aardig geweest hun authentieke instrumenten mee te brengen, dat zou mooi passen bij de muziek van Mozart. Dapontes zorgvuldig gebeeldhouwde teksten waren vol taalguitigheden bewerkt door Ivo de Wijs. Het bruiloftsfeest kon beginnen!
Jammer dat de ouverture voor geen meter klonk. De muziek werd versterkt en kwam uit speakerboxen op het toneel. Bart Schneemann had een pruik op en deed een openingstekst, iets ironisch-kritisch. Een Dolf Jansen-dingetje, maar dan op halve snelheid. En toen begon het me te dagen: help, dit wordt cabaret! Zomer en Fiselier zongen prima. Niet op volle sterkte en ondanks de geluidsversterking maar deels te verstaan in de teksten van Ivo de Wijs, maar het zijn vocale kanjers. De afgevlakte aria’s waren meestal nogal kort en lieten niet echt een verhaal ontstaan op het podium. Tot vervelens toe werd herhaald dat het onbegrijpelijk zou zijn en dat toelichting noodzakelijk was. Het bleek de bedoeling dat het publiek na ieder liedje klapte en zo ontstond de klassieke opbouw van een echte cabaretavond: praatje, grapje, liedje, applausje. En dat ging maar door.
Er was heus wel wat te genieten. ‘Dove sono i bei momenti’, de aria van de Gravin, zong Johannette Zomer met de van haar bekende grote kwaliteit. En het NBE, daar is muzikaal ook geen speld tussen te krijgen. In zijn slottekst kwam verteller Schneemann terug op de opening en destilleerde er een moraal uit. Iets over Mozart als allochtoon. Ik zei het al: cabaret.
Goede stemmen, een prima ensemble en schitterende muziek, en toch werkt dat niet als het door mensen wordt gedaan die weliswaar heel goed in hun vak zijn, maar hun cabaretdiploma bij InHolland gehaald hebben.
__________________________________
De bruiloft van Figaro!
W.A. Mozart
Nederlands Blazers Ensemble o.l.v. Bart Schneemann (hobo)
Solisten: Johannette Zomer (sopraan) en Frans Fiselier (bariton)
12 mei 2011 De Doelen - Rotterdam.

woensdag 4 mei 2011

4 mei 2011 in Rotterdam

Er waren weer veel mensen stil, vandaag, om 20 u. op het Stadhuisplein. Om terug te denken aan wat er gebeurde in de oorlog. En daarna.
Maar een paar honderd meter van de plek waar we stil waren, stond het huis van mijn vader, aan de Delftsevaart. Het werd verwoest bij het bombardement van 10 mei 1940. Een gebeurtenis die, zo bedacht ik, niet alleen in de zielen van de mensen die het overleefden staat gekrast, maar ook in de 'ziel' van de stad. We waren stil, ook vanwege de mensen die omkwamen bij dat bombardement. De stad was en is getuige.

donderdag 28 april 2011

Die Frau ohne Schatten in Antwerpen

Het theater van de Vlaamse Opera in Antwerpen is een imposant, neoklassiek gebouw, dat helaas enigzins wegvalt in zijn omgeving. De gevel, die het moeiteloos zou winnen van bijvoorbeeld La Scala in Milaan en het Châtelet in Parijs, blijkt nog het best te bewonderen vanaf de eerste etage van de McDonald’s op de Meir. Niet de eerste de besten hebben er op en voor het podium gestaan. Zelfs componist Richard Strauss dirigeerde er ooit één van zijn opera’s. Al was dat niet die vierde opera die hij samen met Hugo von Hofmannstahl maakte, Die Frau ohne Schatten. Dat was wel waarvoor ik naar Antwerpen gereisd was.
Dirigent en orkest
Om maar even bij de dirigent te blijven: Alexander Joel is jong, stond als ‘Kapellmeister’ voor het orkest van de Deutsche Oper am Rhein en werkte bij veel andere Duitse operahuizen. Hij leidde het orkest van de Vlaamse Opera uiterst vaardig door de beruchte partituur heen. Het orkest, ongetwijfeld voor deze keer wat groter bezet in het koper, leverde een fraaie prestatie. Natuurlijk, de muziek van Strauss schreeuwt om een groot orkest en om de kwaliteit van een Furtwängler, Böhm of Haitink, maar aangezien die niet aanwezig waren, deden we het met dit prima ensemble.
Het hele verslag van het bezoek aan Die Frau ohne Schatten in Antwerpen is te vinden op Place de l'Opera
________________________________________________________________
Die Frau ohne Schatten van Richard Strauss
Vlaamse Opera Antwerpen
Alexander Joel dirigent.
Marion Ammann, Stephanie Friede e.a.
28 april 2011.

maandag 25 april 2011

Karlheinz Stockhausen - Sonntag aus Licht

Op de website van de Duitse componist Karlheinz Stockhausen (1928 – 2007) staan de kaarten en telegrammen die John Lennon hem stuurde in 1969. De Beatles wilden de componist heel graag afbeelden op de hoes van het album Sgt. Peppers. Hoewel Stockhausen wat laat reageerde vanwege de drukte, kwam er uiteindelijk een reactie. Daartoe moest manager Brian Epstein nog wel eerst een telegram zenden.Zo kwam de foto van Karlheinz Stockhausen terecht op de hoes. Hij staat achteraan, vijfde van links, in dezelfde rij als o.a. Mae West, Carl Jung en Bob Dylan. De Beatles noemen de Duitse componist als één van hun invloeden. Dat is goed te horen op ‘A day in the life’.
De laatste grote cyclus die Stockhausen componeerde was ‘LICHT – Die sieben Tage der Woche’. Het werk heeft zeven delen, elk deel gewijd aan een van de dagen van de week. Verschillende onderdelen, complete ‘dagen’ of fragmenten ervan zijn als eerder uitgevoerd. Het ‘Helikopter-Streichquartett’ (waar de musici daadwerkelijk onder een helikopter hangen) wordt wel eens gespeeld en de opera’s over donderdag en vrijdag gingen eerder in premiere in Covent Garden en de Scala van Milaan.
In Stockhausen-stad Keulen was afgelopen weken de premiere van ‘Sonntag aus Licht’, het zevende deel van de cyclus. Het werk dat inclusief pauzes negen uur duurt, werd in de weken voor Pasen in 2 delen op 2 avonden uitgevoerd en op Eerste Paasdag voor het eerst in zijn geheel.
Pasen 2011. Wekenlang had er passiemuziek geklonken. We hadden geluisterd naar de Bach-exegese van de Bachvereniging, zoals altijd met bijna analytische aandacht voor de partituur. Met bewondering ervoeren we de unieke enscenering van de Johannes Passion door de Nationale Reisopera. We zagen het, op Witte donderdag, echt Pasen worden onder de handen van Yannick Nézet-Séguin, die zijn ongekend grote talent toonde in een Mattheus Passion die, binnen de lijnen van Bach, mooie effecten en diepe emotie liet horen.
Ik had de stilte kunnen zoeken met Pasen, maar ik wilde verder. Op zoek naar diepgang, betekenis, zin. Kunst, zeker muziek en zeker ook opera, kan dat bieden.
Op de ochtend dat de oude prelaat in Rome de zegen zou geven, voor de stad en de wereld, was ik in de stad. Nota bene die waar het godshuis het centrum domineert, Keulen. Ik kwam voor de eerste integrale uitvoering van Stockhausen’s ‘Sonntag aus Licht’. Aan het werk ligt een ‘superformule’ ten grondslag en heel veel ideeen over religie, de wereld en de kosmos. Stockhausen had als wens voor de uitvoering van zijn opera - die hij zelf niet meer zou mee maken: “Hoffentlich beten Sie mit mir, daβ Sonntag aus Licht kein ‘Ruhetag’ sondern ein Tanz in der Sonne wirdt. Furchtlos Weiter!”.
De ochtend van Pasen in Keulen. De klokken van de Dom hebben in de nacht en deze ochtend al vaak geluid. Dit is ongetwijfeld de lichtste zondag tot nu toe in dit jaar. De omgeving van het Staatenhaus, een beurs-achtig gebouw naast de Kölner Messe, kleurt wit. Veel mensen blijken het verzoek van de organisatie te hebben gehonoreerd en dragen wit. Ik heb de middag ervoor nog snel wat wits aangeschaft. Er hangt een prettige spanning. Er kunnen ruim 600 mensen per uitvoering aanwezig zijn. We gaan de zaal binnen waar ligstoelen opgesteld staan in een cirkel. De ruimte is rond, heeft witte wanden en aan het plafond hangen grote panelen die kunnen draaien als wieken. Vanuit een ligstoel, zo is de bedoeling, kun je de muziek beter ondergaan. Maar ontspannen lukt me niet goed, er is zoveel te zien.
Het licht in de zaal wordt gedimd, het is begonnen.

Deel 1: Lichter – Wasser
Eva en Michaal zwerven letterlijk door de ruimte. Eva rolt door de zaal op een troon van danseressen en Michael zweeft in een stellage boven het publiek. Michael en Eva maken deel uit van het drietal protagonisten in de hele ‘Licht’-cyclus. Lucifer, de duivel, is de derde maar hij doet in ‘Sonntag’ niet mee. Verspreid door de ruimte staan de musici opgesteld. Ze produceren een toon en geven die als het ware door aan een ander. De kleding lijkt gebaseerd op de eerste beelden die we kennen van de ruimtevaart. Michael ziet eruit als Yuri Gagarin, de musici dragen wijde lak-overalls met tekens. Op hun muzieklessenaar is ruimte gemaakt voor een kaars en een glas. Vuur en water. Tenor Hubert Mayer zingt geregeld muziek van Stockhausen en lijkt geen moeite te hebben met de complexe teksten en en niet eenvoudige muziek. Sopraan Anna Palimina, lid van het ensemble van de Oper Köln, heeft hele andere dingen te doen dan in haar andere rollen als Konigin der nacht of Servilia uit Mozarts ‘La Clemenza di Tito’.
Liggend in de strandstoel begin je te vergeten dat het een voorstelling is. Op de wanden zijn projecties die ronddraaien dankzij enorme beamers op stellages.
Het is niet eenvoudig om structuur te ontdekken. Er is geen boventiteling, dus je moet het hebben van wat je ziet en wat je aan tekst verstaat.
Volgens Stockhausen wordt God’s lof gezongen in de versmelting van Michael en Eva. Zoals de musici de planeten voorstellen, zo draaien Michael en Eva om elkaar heen. Op beeld is een nieuwe planeet te zien: Micheva. Eva stapt uit de jurk en loopt door de zaal. Michael zweeft vlak boven mijn hoofd. Het geluid wordt heel geraffineerd aangepast aan de plek waar de zangers op dat moment zijn. Na veel omzwervingen in de ronde ruimte vinden Michael en Eva elkaar. Op het woord ‘Licht’ verlaten ze de ruimte.
Het applaus klinkt, het bijna onwennig om na zo’n scène gewoon te applaudiseren. Oh ja, het is muziektheater.

Deel 2: Engel-Prozessionen
Na een pauze zijn we terug in de ronde zaal. Vier solisten en zeven koren zingen de lof van God in zeven wereldtalen. Dirigent James Wood staat op een verrijdbaar podium, dat hem voert naar strategische dirigeerplekken in de zaal. Hij heeft een gewaad aan met ledlampjes, voor de versiering maar ook heel functioneel op zijn handen, zodat zijn aanwijzingen goed te zien zijn. Deze opera blijkt, ongetwijfeld geheel buiten de bedoelingen van de componist, óók een ode aan de ledlamp. De 7 groepen bewegen door de ruimte. Iedere groep draagt gewaden in een eigen kleur, bedrukt met grote strepen en de naam van de opera en de componist.
Ledlampjes zijn op de kleding bevestigd om de partituur te lezen en ze verlichten een soort kerststerren die de zangers op hun rug dragen. Als ze aan de beurt zijn, knippen met een schakelaartje hun eigen licht aan en voilá, ze zijn uiterst overtuigend engel. In deze Engel-Prozession doen ook de leden van Capella Amsterdam mee.
Langs de wanden staan zangers, in gewaden met strepen die doorlopen in de schmink van hun gezicht. Hun hoofd is deels bedekt door een grote kap. Ze leveren een sonore basistoon die door het hele stuk te horen is. De handen zijn soms gevouwen, dan weer gekruist, ook daarvoor is een speciale choreografie.
De concertante wereldpremière, in de Zaterdagmatinee van het Concertgebouw in 2002, is vast heel mooi geweest, maar deze enscenering tilt het werk naar indrukwekkend niveau.
Bij het applaus klinken de eerste bravo’s voor de zangers en musici.

Deel 3: Licht- Bilder
Wellicht niet bedoeld als entracte, maar deel 3 is vooral qua vorm een minder interessant deel van deze opera. We gaan ervoor naar de andere zaal, die als traditionale theaterzaal is ingericht. De tenor en 4 musici bezingen de schepping, staand in het water. Achter hen een scherm met 3D-beelden die aansluiten bij de tekst. De waterdruppels, stenen en planten lijken door de zaal te zweven. We ervaren het, dankzij de uitgereikte 3D-brillen. Ik vind het wat traag, niet zo spannend en begin me af te vragen of het mooiste al geweest is.

Deel 4: Dufte – Zeichen
We zijn opnieuw in de theaterzaal. Er is vertraging want de vuren kunnen niet aan vanwege een mankement aan de luchtopeningen in het dak. Besloten wordt de vuren in de voorstellling te beperken. In dit deel van het werk komen de dagen van de week voorbij. Ze hebben alle een eigen symbool, dat Stockhausen in de partituur tekende, en een eigen geur. Twee mannen maken op gezette tijden geheimzinnige rondes door de zaal, voorzien van wierookvaten zoals je die in de katholieke kerk ziet.
De scène wordt gezongen door 6 zangers. De synthesizer speelt alsof hij een continuo vormt. Er zijn grote dag-tekens van staal, dansers brengen ze op en laten ze weer verdwijnen. Het teken van de zondag gaat in vlammen, De alt – gezongen door Noa Frenkel die een in de partituur voorgeschreven ‘tiefe alt’ heeft- zingt de rol van Eva die hier zeer bijbels Eva Maria heet. Ze roept naar de zaal: ’Komm Michael Himmels-Knabe!’
‘Hier bin ich unter die Leuten’, roept een piepklein jongetje vanuit het publiek. De jonge Michael wordt vertolkt door een sopraan van het knapenkoor uit Dortdmund gekleed in een mini-Gagarinoverall. Hij loopt naar voren en zingt een duet met Eva Maria. ‘Was du wilst, wird geshehen’, zingt Eva. Dichter op het thema van de verlosser kan Stockhausen niet komen. Het duet is knap gezongen maar ook buitengewoon ontroerend.

Deel 5: Hoch-Zeiten
Het wordt zeven uur, we zijn al zo’n 6 uur onderweg, afwisselend opera-delen van rond een uur en ruime pauzes, die je aan de Rijnoever in de zon kunt doorbrengen. Er is eten, er wordt sekt en prosecco gedronken en we zijn in afwachting van het 5e deel, het parallel gespeelde ‘Hoch-Zeiten’.
Daartoe wordt het publiek opgesplistst, iedere groep krijgt een andere kant van het zelfde deel te zien en wisselt dan zodat je alles kan meemaken van het werk. Het idee is dat er af en toe ’vensters’ opengaan en er verbinding ontstaat tussen beide uitvoeringen.
De optimale volgorde is eerst de orkestversie. In de theaterzaal spelen de musici van de Kölner musikFrabrik vaardig de ingewikkelde partituur. Af en toe schakelt het beeld op een groot scherm naar de parallele uitvoering in zaal A.
We verhuizen na een korte pauze. In de ronde zaal staan 5 groepen dansers opgesteld die allemaal een bruiloft uit een van de continenten verbeelden.Via een ingenieuze geprojecteerde tijdcode gaan de gezamenlijk onderdelen van de choreografie synchroon. Ik loop door de zaal, langs en tussen de dansers. Als ik me afvraag waar je in korte tijd 600 ligstoelen laat verdwijnen, zie ik ineens dat ze er wel nog zijn. De poorten, enorme ornamenten en grote raderen langs de zijkant blijken opgebouwd uit gekoppelde ligstoelen.
Sommige scenes zijn ingehouden, een Japanse bruiloft, een oosters ritueel. Opvallend is de west-Europese bruiloft. De dansers, twee mannen en twee vrouwen, zijn herkenbaar aan hun t-shirts met de sterren van de EU. Ze zijn brutaal, gaan soms bijna imperialistisch de zaal door, maar zijn ook liberaal: ook de vrouwen trouwen met elkaar, de mannen kussen.
Tegen het einde gaan alle dansers op stelten, ze lopen door de zaal, maken contact met het publiek, raken je subtiel even aan of geven schouderklopjes. Ik vind het ontroerend. Langzaam leiden ze het publiek naar de binnenring, waar we ineens omgeven zijn door de enorme wielen van ligstoelen. Michael zweeft op een paard langs de wanden.Er ontstaat een spannend soort rust, verstilling zelfs. Ik krijg een brok in de keel.
Dan is het afgelopen, groot applaus.
Ik loop langzaam naar buiten, waar uit grote speakers de muziek voor synthesizer van Stockhausen klinkt. Een paar dansers maken een ronde, het publiek verlaat langzaam het terrein.
Over de Rijn, lopend op de brug, overdenk ik wat ik gezien en meegemaakt heb. Ik wilde wel theater, opera en bezieling, maar geen kerk. Dan had ik net zo goed uit mijn hotelkamer zo de Dom in kunnen lopen. Wat me deze dag erg beviel is de idee dat deze opera weliswaar religieus is, maar nergens prekerig werd. Het was geen eredienst, wel diepgang maar geen flauwekul. Hoe merkwaardig of origineel de opvattingen van Stockhausen over religie en betekenis ook zijn, hij blijft aan de kant van de kunst en daarmee weg van esoterische zweverigheid.
Ik realiseer me dat het een hele unieke dag was.
De kreet van Stockhausen komt me weer in gedachten: ‘Furchtlos weiter!’

In deze video van de musikFabrik komen alle onderdelen voorbij:

__________________________________________
Sonntag aus Licht – Opera in 5 Szenen und einem Abschied
Karlheinz Stockhausen
Geproduceerd door: Oper Koln.
Orkest: Die musikFabrik, koor o.a. Capella Amsterdam.
Muzikale leiding: Kathinka Pasveer en Peter Rundel
Concept: La Fura dels Baus
Solisten o.a. Hubert Mayer, tenor, Anna Palimina, sopraan, Noa Frenkel, alt.
24 april 2011 in Keulen

woensdag 30 maart 2011

Film: L'ascenseur pour l'échafaud

Het is een van die universele genoegens: een oude film die ineens opduikt in een festival of een speciale voorstelling van een bioscoop. LantarenVenster heeft af en toe van die klassiekers en zo zag ik op deze donkere woensdagavond de eerste speelfilm van Louis Malle, 'L'ascenseur pour l'échafaud', weer eens.
Glansrol van Jeanne Moreau, een tikje politiek, nozems die in de tijd van de film (1958) 'blousons noirs' genoemd werden en vooral die straatscenes met muziek die Miles Davis in één nacht inspeelde bij de film die al volledig gemonteerd was.
Zwart/wit, sfeer, zeer moderne locaties als een betonnen kantoorgebouw in Parijs en het eerste motel van Frankrijk.
Toen ik weer buiten kwam in het donker liet de regen de straten glimmen. Soms klopt alles.

________________________________________________
Ascenseur pour l'échafaud - Louis Malle
met o.a. Jeanne Moreau en Maurice Ronet

woensdag 23 maart 2011

356 musici en een dirigent: de Gurrelieder

Het had centraal gestaan in de voorpubliciteit en het getal schreeuwde van het programmaboekje: 356 musici en zangers voerden gisteren in de Doelen in Rotterdam de Gurrelieder uit. Size matters bij het uitvoeren van dit werk van Arnold Schönberg, dat vanwege de omvangrijke bezetting niet vaak live wordt gespeeld.
Het was de avond van Reinbert de Leeuw, gisteren bij de première in de Doelen, en het is hem meer dan gegund. De Leeuw verrijkte de Nederlandse cultuur met onnoemelijk veel muziek, concerten, initiatieven en ensembles. Hij stond met vier andere componisten aan de wieg van de opera Reconstructie in 1969, toen opera nog tot kamervragen kon leiden. Het Schönberg Ensemble ontstond op zijn initiatief, zijn opnamen van pianowerk van Satie bereikten veel huiskamers en hij dirigeerde opera bij De Nederlandse Opera (DNO) en de Nationale Reisopera.
Inmiddels is De Leeuw 73, maar hij is nog volop in actie. Hij was de laatste maanden te horen als pianist bij de gedanste Hugo Wolf-liederen van Hans van Manen en hij was – opmerkelijk – juist alleen te zién als pianist in De Wereld Draait Door. Daar kreeg hij met zijn uitvoering van John Cage’s werk voor piano 4’33’’ zelfs Matthijs en zijn studio meer dan vier minuten stil. Bij DNO dirigeerde De Leeuw verder de voorstellingen van Legende van Wagemans.
De orkesten voor deze uitvoering van de Gurrelieder waren afkomstig van de conservatoria van Rotterdam en Den Haag. De koren bestonden eveneens uit conservatoriumstudenten en werden aangevuld met Toonkunstkoor Amsterdam en het Brabant Koor.Het duurde overigens nog wel even voor die koren iets te doen hadden. Pas na pakweg vijf kwartier hadden ze precies één woord als tekst: ‘Holla’. Tot die tijd waren het orkest en enkele vocale solisten aan zet. De enorme orkestbezetting gaf een overweldigend geluid. Alsof je niet voor maar in het orkest zat als luisteraar. Er was duidelijk veel gerepeteerd en De Leeuw hield zonder al te veel misbaar het proces dat zich afspeelde volledig in de greep. Sopraan Melanie Diener zong de rol van het meisje Tove. Haar eerste lied was nog wat strak, maar later zong ze losser en met meer overtuigingkracht. Haar tegenspeler Daniel Kirch had als Waldemar veel meer moeite om te stralen, ook omdat de orkestpartituur bij zijn zang soms wel heel veel volume voorschreef. Daar hielp zelfs de versterking van de zangstemmen niet bij. Of die was gewoon niet zo adequaat ingeregeld. Tenor Eberhard Francesco Lorenz bracht humor en speelsheid in de uitvoering. Als Klaus-Narr stak hij zijn hoofd om de zaaldeur, trippelde naar het podium en zong daar zijn commentaar. Even daarvoor gaf mezzo Catherine Wyn-Rogers – de mooiste stem van de avond – een kort maar indrukwekkend optreden als Waldtaube.Het stuk vervolgde richting de ‘Wilde Jagd’, toen de mannenkoren ‘Und wir sind des Todes, der Sorge und des Todes, des Schmerzes und des Todes’ zongen. Dat maakte een verpletterende indruk.
Na een orchestervorspiel eindigde het werk bij de zonsopgang. In dat deel speelde de ‘sprechstimme’ van Alexander Oliver een grote rol. Oliver, onlangs uitgebreid aan het woord op Place de l’Opera over zijn Dutch National Opera Academy, deed heel wat meer dan ‘sprechen’. Zijn inbreng was muzikaal-eloquent.
Het was de verdienste van Reinbert de Leeuw dat al dat geluid, al die trilling van de lucht afwisselend dreunend, subtiel, snel en langzaam tot klinken kwam. Het donderende einde, toen de koren ‘Strahlenlockenpracht’ zongen, was één groot crescendo.
Wat zou het mooi zijn geweest als daarna de galm en de stilte van het uitklinken van de muziek geklonken had. Maar al voor De Leeuw het eindsignaal gaf, barstte een deel van het publiek uit in applaus. Rotterdam heeft geen poëzie, zo blijkt weer.
[Recensie ook gepubliceerd op 'Place de l'Opera']
______________________________
Codarts Symphony Orchestra
Symfonieorkest van het Koninklijk Conservatorium
koren van het Koninklijk Conservatorium en Codarts, het Brabant Koor en Toonkunstkoor Amsterdam onder leiding van Reinbert de Leeuw.
Solisten: Daniel Kirch, Melanie Diener, Eberhard Francesco Lorenz, Catherine Wyn-Rogers, Andrew Schroeder en Alexander Oliver.

zaterdag 29 januari 2011

Filmfestival dag 2

Dag 2 opende met Behind the red motel door. Meestal is de aanduiding 'freakshow' niet echt complimenteus in een recensie, maar de film die regisseur TheWorldFamous Ike (zo noemt hij zich echt) maakte is een buitengewoon aangename freakshow. Het motel beschikt aan de receptie over een nerd die betalingen aanneemt, die vaak meteen weer worden meegeroofd door de vaste overvallers.Als je het juiste arrangement neemt krijg je bij het inchecken de zeep voor in de badkamer gratis. Een roze hart aan een koordje, dat als attribuut door de hele film heen opduikt.
Het was een dag na de wereldpremiere, het was pas 12.15 en de zaal zat vol. Regisseur TheWorldFamous Ike mag dan gezien zijn naam niet overlopen van bescheidenheid, hij bleek daarover zo verbaasd dat hij, voor de film werd gestart, zijn camera pakte en een foto van het publiek maakte. We zwaaiden even naar de lens en zo werd dit unicum vereeuwigd.
Een motel vol rare mensen, bezig met drugs, drank of kinky sex. Grappig in beeld gebracht met een verhaal dat heel vaardig verteld werd.

Ze had 15 jaar geleden in Rotterdam gestudeerd en in Nederland haar eerste baan in de filmwereld gevonden. Ze was blij terug te zijn in deze stad, nu met haar eerste grote film als producente. De Chinese Jessica Kam-Engle legde voor de film uit waarom de vertoning in Rotterdam zo speciaal voor haar was. De film, The Piano in a Factory, was een wat klassiek gemaakte geschiednis over een man in scheiding met een dochter, in het Noord-Oosten van China. Veel oude industrie, werkoosheid. De dochter bepaalt dat ze na de scheiding bij de ouder wil wonen die een piano heeft. En zo gaat de man aan het werk, geholpen voor zijn eveneens op straat gezette collega's, om een piano te bouwen. Geen goed hout voor handen, dus het wordt een gietijzeren vleugel.
Qua vorm zit de film in tussen een VARA-dramaserie uit afgelopen decennia en het Spaanse Schaep. Origineel verhaal dat geen onnodige moeite doet om te charmeren en dat maakt het net zo charmant. Gaat die piano lukken....en hoe zal hij klinken?

L' illusion comique speelt zich af in een eenheid van plaats en tijd. Het is een bewerking van een stuk van Corneille en in die tijd was dat gangbaar. Opdracht aan regisseur Amalric was om met de acteurs in de reguliere productie van het stuk van Corneille uit de 17e eeuw, een versie te maken in een eigentijdse setting. De teksten, geschreven in alexandrijnen, moesten onaangetast blijven. Het idee is niet heel spectaculair - in de opera doen ze het geregeld - maar de uitwerking was prachtig. De alexandrijnen van Corneille die worden uitgesproken in de moderne setting van het Hotel du Louvre, niet ver van de Comedie-Francaise, met een gezicht op de Opera Garnier, zijn adembenemend. Het was wel goed opletten, de vertaling in het Engels van het Frans was in stijl en niet erg makkelijk.
Een film die indruk maakte.

De roem was Les amours imaginaires al vooruitgesneld. De nieuwe van Xavier Dolan, die vorig jaar de jongerenprijs won met zijn eerste film, was al bij voorbaat een hit. Deze keer ging het om Francis en Marie die beiden dodelijk verliefd worden op Nicolas. Die heeft niks in de gaten, zo lijkt het. Om zijn hart te winnen gaan Marie en Francis ver, ze duiken in de liefde van Nicolas voor Audrey Hepburn, zodat Marie met een klassiek Hepburn-sjaaltje gaat lopen en Francis leert citaten uit haar films uit zijn hoofd.En beiden hebben geen enkel idee wat er in het fraaie hoofd van Nicolas omgaat en hoe hij hen ziet en wat hij zou willen.
Nolan is net 21, lekker eigenwijs en schrijft, versiert en styled zijn film net zo lang tot hij het leuk vindt. Leuke muziekkeuze, met een Italiaanse versie van Bang-bang, door Dalida. Of de kijker ook enthousiast wordt van onderdelen als de nagespeelde interviews, die het verhaal nogal stil leggen, lijkt hem niet te interesseren. Genomineerd alweer voor de jongerenprijs dit jaar.

vrijdag 28 januari 2011

Het International Filmfestival Rotterdam is begonnen

Er is veel goed nieuws te melden over het Rotterdamse Filmfestival. Het bestaat 40 jaar, het is met een speciaal XL-programma uitgebreid en de stad laat nog duidelijker zien dat het festival over Rotterdam heerst deze dagen. De ontwerpers van de huisstijl hebben de zwart/witte-basisposter dit jaar, vergeleken met die van vorig jaariets minder verkloot en er met wat meer stijl een jubileumposter van gemaakt:Ook daarom ga je voor je lol veel en lang in het donker zitten.
De kaartverkoop verliep buitengewoon smooth en zo kon het voor mij beginnen.
Traditioneel is dat met de VPRO-Previewdag, waarop een aantal toppers van het programma voorbijkomen. We zaten voor het eerst sinds jaren niet in Pathe 1 maar in Luxor. Dat was even wennen, vooral omdat de stoelen en zitruimte van Luxor berucht zijn. Gebouwd voor 2 maal 3 kwartier zitten, en dat voel je aan je knieeen na enige tijd.
Gerhard Busch van de filmredactie van de VPRO, die de dag samenstelde, meldde in zijn openingswoorden dat het leuk zou worden en festival-directeur Wolfson liet weten dat we als zaal een topprestatie gingen leveren. Het lukt in de normale programmering vrijwel niet om meer dan 5 films op een dag in te plannen, en wij gingen er toch echt 6 zien.
En zo begon het.

Blue Valentine had niet zo'n heel origineel thema: relatiegedoe in een huwelijk dat na de eerste leuke jaren en het krijgen van een kind versleten raakte. Maar, beide hoofdrollen waren heel goed in het laten zien van hun leuke kant en de verzuurde versie die daarvan over was. Het acteren was uiterst naturel en dat gold ook voor het spelen met de tijd. Flashbacks lieten de mooie jaren zien en die schakelden heel organisch naar het heden. Dankzij de vanzelfsprekende behendigheid van de maker, Derek Cianfrance, vloog de tijd in de eerste uren van deze filmdag.

Essential Killing had een wat dubbelzinnig concept. Maker Jerzy Skolimowski wilde geen politieke film maken, daarom zien we wel een moslimstrijder, maar is die zonder en blijven de locaties vaag. Het lijkt te gaan over een Taliban strijder die door de Amerikanen wordt opgepakt, ontvlucht en uit de handen van zijn vijanden moet blijven. In het besneeuwde Oost-Europerse landschap valt dat niet mee. Het is niet politiek, en het is ook geen erg identificabel verhaal. Vincent Gallo, die vorige jaar in mijn favoriete film 'Testo' zat, is hier een zwijgende vluchteling. De ontberingen zijn zwaar en waar dat wellicht dramatisch bedoeld is, wordt het af en toe eerder een tikje lachwekkend. Korte omschrijving: een niet onaardige film, maar wel erg Jason-Bourne-met-pretenties.

Somewhere van Sofia Coppola, die enorm scoorde ooit met Lost in Translation, maakt met Somewhere een verhaal over een jonge, succesvolle acteur die het niet helemaal kan vinden in het leven. Dat leven bestaat uit hard in een snelle auto rijden, veel scharrels en als die er niet zijn het inhuren van strippers en paaldanseressen. De openingsscene van de film bestaat uit een prive-voorstelling van twee danseressen, die ondanks bloedserieuze pogingen om spannend te zijn vooral lachwekkend zijn.
Als zijn dochter door de ex bij hem wordt gestald omdat de ex zichzelf gaat zoeken, ontdekt de acteur dat er meer is, en dan....
Het was, ook bij deze film, de dag van de open eindes. Verder verklap ik niks.
Somewhere won een prijs in Venetie op het festival en is licht, onderhoudend, grappig en met een net wat minder spannend gegeven, bijna net zo leuk als Lost in Translation.

Black Swan, de film waarover vooraf het meest geschreven is. Vast een geweldige film, goed en extreem levensecht geacteerd door Natalie Portman.De zelfdestructieve obsessie van de ballerina voor perfectie in haar rol in het Zwanenmeer is heel kundig verfilmd, maar speelt in een wat ziek milieu en heeft naarmate de film vordert steeds meer horro-elementen. Too much, wat mij betreft.

Attenberg, net toen ik me afvroeg wat die titel betekende, kwam in de film het antwoord. Het meisje, Labed, kijkt naar liefde en sex zoals natuurfilmer David Attenborough naar dieren kijkt. Ze kan zijn naam niet onthouden en maakt er Attenberg van. Het is een absurd verhaal over Labed die haar vader ziet sterven, van haar vriendin de liefde leert begrijpen en met een man experimenteert. Nogal traag maar mooi, ouderwets-cinematografisch in beeld gebracht en af en toe behoorlijk grappig. Moderne Griekse cinema met eigenzinnige beelden en absurdistische kantjes.

Meek's cutoff wordt een anti-western genoemd. Toch zien we veel elementen uit de echte western, zoals kolonisten die met huifkarren door kurkdroge woestijngebieden trekken, paarden, honden. Maar een saloon komt er niet in voor, er is helemaal geen gebouw aanwezig in de film. Er vallen twee schoten maar die zijn niet spectaculair. Oh ja, en er is één indiaan.Traag ontvouwt zich het verhaal van de kolonisten die zich laten leiden door Meek, die het allemaal goed denkt te weten en helpt in de zoektocht naar water en een plek om zich te vestigen. Je zou dit ook een roadmovie kunnen noemen, al is er nergens sprake van een road. Dat heeft nog gevolgen voor de huifkar, aan het eind van de film.
De laag onder het verhaal in interessant genoeg om even te citeren:
"De filmmakers ontkennen niet dat er een allegorische parallel te trekken valt met het Bush-tijdperk. De kolonisten moeten kiezen tussen hun onbetrouwbare blanke leider en een gekleurde buitenstaander: een Indiaan in wie zowel een terrorist als president Obama te zien valt."

woensdag 19 januari 2011

Le Nozze rammelde

Het net 10 jaar bestaande gezelschap Barokopera Amsterdam heb ik, als ik me niet vergis, nog niet eerder op het podium gezien. Ze brengen kleinschalige producties van opera's uit de Barokperiode op de planken en dat lijkt veel succes te hebben. Hun verschillende Purcell-voorstellingen had ik graag gezien, en het recente Purcell-Gala van kort geleden liep ik mis door agenda-problemen. Dus het werd tijd!
Dit seizoen brengt Barokopera een kamerversie van Le nozze di Figaro van Mozart, een dan de 3 Daponte-opera's. Ik was - hoe 'fout' die versie ook was vanwege het nogal afwijkende interpreteren van het libretto- heel blij met de versie die Jossy Wieler en Sergio Morabito voor de Nederlandse Opera maakten. Vorig seizoen bracht Opera Zuid een niet onaardige versie, die muzikaal iets aangenamer was dan qua toneel en vormgeving.
De regisseur van die zuidelijke versie, Sybrand van der Werf deed ook de regie van deze kamer-versie. De bedoeling was een nieuw licht te werpen op het verhaal, omdat er veel aanknopingspunten in zitten voor een verhaal naar deze tijd.
Nou ja, dat idee was leuk. De zang was mooi en het orkest was zelfs heel prettig. Barokopera speelt 'authentiek', op oude instrumenten of kopieen daarvan. Zeker door de kleine bezetting (7 musici) krijg je dan een buitengewoon mooie klank, doorzichtig, met veel meer ruimte voor details dan met grote orkesten die een veel meer verzadigd geluid produceren. So far so good.Maar, er was ook erg veel jammer aan deze productie. De keuze van Richard Keen als verteller/Figaro bijvoorbeeld. Zijn spreekteksten waren vaak nauwelijks te verstaan, en zijn acteren vond ik zeer matig. Verder een wat moeizaam decortje, een slordig neergekwakte dia-projector op een Ikea-tafeltje*. Licht dat niet leek aangepast aan de omvang van het Schouwburg-podium. Alsof dat te groot was voor deze voorstelling.
Ongemakkelijk was het ontbreken van een ritme in de voorstelling, ik kreeg het idee dat er veel niet was getest voor publiek, al was dit al de 8e uitvoering.
De 'twist' in het verhaal was niet zo duidelijk, ik verwachtte ingenieus spel met bijv Cherubino die man was of vrouw en die daarmee voor een twist zou zorgen in het verhaal. Maar het bleek te draaien om de tuin-ontmoeting, die in het oorspronkelijke libretto plaatsvindt met een als Susanna verklede Gravin. In deze versie wás het Susanna. Niet echt wereldschokkend.
Mooie muziek, goede zang en veel, heel veel gerammel. Met een te groot podium en te dure kaartjes was het geen onverdeeld aangename kennismaking met Barokopera Amsterdam.
(* model Lack á € 4,95)

___________________________________________
Barokopera Amsterdam
Frederique Chauvet/Sybrand van der Werf
Le nozze di Figaro
Schouwburg Rotterdam
18 januari 2011

zondag 16 januari 2011

Liefdeselixer in kil Den Haag

Het was even doorbijten, een wandeling door de kantorenwoestenij van het Haagse stadscentrum, naar binnen bij het misantrope gebouw van het Koninklijk Conservatorium waar een knullige ontvangst wachtte, maar eenmaal in de Kees van Baarenzaal was het aangenaam, afgelopen zondag.
De Dutch National Opera Academy voerde ‘L’Elisir d’amore’ van Donizetti uit. De DNOA, de masteropleiding voor zang van de conservatoria in Den Haag en Amsterdam, selecteert streng bij de toelating en stelt als eindexameneis de deelname aan enkele geënsceneerde producties. In deze ‘Elisir’ konden de studenten hun tanden zetten. In lijn met de uitgangspunten van de DNOA-opleiding ging het om zowel de vocale als theatrale aspecten van het operavak. Het was wellicht niet zo groot (en duur) als de voorstellingen die DNO, de Reisopera of Opera Zuid doorgaans brengen, maar het was een echte opera met alles erop en eraan: koor en orkest met studenten van het Conservatorium, decor, licht, dans en beweging. Voor deze productie wordt gewerkt met 2 ensembles, ik zag cast B aan het werk.
Als we het nog niet wisten, dan maakte de ouverture het meteen duidelijk: ‘L’Elisir’ is gebaseerd op de Italiaanse commedia dell’arte, zo zagen we in de tableaux-vivants die een voorproefje gaven van het verhaal. Dat draait om landeigenaresse Andina, die haar stille liefde, de arme boer Nemorino, door het voorlezen van een verhaal over een liefdesdrank op een idee brengt. Die drank zou het hem mogelijk maken haar liefde te winnen. Concurrent in de liefde is sergeant Belcore die met zijn regiment het landelijke dorpje aandoet en de fraaie Andina wel even denkt te scoren. Rondreizend kwakzalver Dulamara heeft voor alles een oplossing en biedt Nemorino een elixer aan met gegarandeerd succes.Regisseur Javier López Piñón koos voor een realistische benadering, in een stijl die past bij de periode waarin het verhaal zich afspeelt. Een dorpsplein, een boom, een gebouwtje. Geen moderne gekkigheid, geen symboliek maar een degelijke weergave van het verhaal. Dat zoiets meer naar amusement neigt dan naar kunst is een tikje jammer, maar geen ramp.
Heel makkelijk is de rol die tenor Geoffrey Degives speelt niet. Na zijn rol in Albert Herring vorig jaar speelde hij nu een wat naïeve, goeiige en geregeld aangeschoten boer Nemorino. Balancerend op de rand van komedie en klucht, maar hij bleef steeds aan de komedie-kant en werd nooit flauw of plat. Zijn tenorstem is mooi en als hij zijn solo ‘una furtiva lagrima’ zingt is dat een beetje ingehouden, hier en daar met een minimaal hoorbaar tikje spanning maar vooral aandoenlijk in de emotie van de boerenjongen en zeer overtuigend.
Belcore, de zelfvoldane sergeant, werd gespeeld door bariton Laurent Deleuil uit Canada. Je kon het zien en horen: een getrainde baritonzanger die trefzeker zingt en acteert. ‘Vrouwen genoeg’ is zijn motto en dat droeg hij met veel kapsones uit.
Als ik zeg dat de zang van sopraan Elisabeth Meyer uitstekend was, dan doe ik meteen haar acteervaardigheid tekort. Die is namelijk óók uitstekend. Op het moment dat je haar ziet opkomen door de houten deur van haar huis, lijkt de belichting meteen iets warmer te worden. Adina speelt met veel plezier met de liefde, beheerst het spel en kan de mannen die allemaal iets van haar willen, moeiteloos aan. Meyer heeft een mooie sopraanstem waarmee ze makkelijk de hoogte ik kan, en die veel glans heeft. Het was bij haar nooit zingen of spelen, ze speelt zingend en zingt in haar spel. Een absoluut genoegen om naar te kijken en luisteren.
Bas Florian Bonneau speelde een rol die het sterkst verwijst naar de commedia dell’arte. Zijn kwakzalver Dulcamara was guitig, geestig maar vooral in zijn spel vaak meer commedia dan arte. Hij was in een pak gehesen waarvan zelfs Hans Ubbink zou schrikken en koos steeds voor een wat erg sterke mimiek die vooral deed denken aan problemen met zijn contactlenzen. Het zat hem wellicht ook in de regie, want met zijn stem is niks mis, maar de briljante Donizetti-loopjes die hij te zingen kreeg hadden niet helemaal de impact die ze zouden kunnen hebben. Op die momenten klonk het orkest ook wel erg hard.
Een kleine rol maar van grote vocale klasse was de Giannetta van Kristina Bitenc.
Veel mooie zang, al was er hier en daar nog iets te wensen in de vele duetten, trio’s en ensemblestukken.
Het koor zong goed, acteerde wisselend maar het moet gezegd dat de dames grote kwaliteit legden in de geestig geregisseerde scène waarin uitkomt dat de arme boer door een erfenis ineens miljonair geworden is. Van degelijke boerenmeisjes transformeerden ze in korte tijd naar volleerde ‘golddiggers’, vol spontane interesse in de eenvoudige Nemorino.
Het was buiten nog steeds kaal, koud en onherbergzaam in centraal Den Haag, maar met oren en ogen vol enthousiast geproduceerde operakwaliteit die nieuwsgierig maakt naar meer van deze jonge solisten, zág ik dat niet eens meer.
_________________________________________________
DNOA
L'elisir d'amore - Donizetti
Koninklijk Conservatorium Den Haag
16 januari 2011
Koor en orkest van het conservatorium Amsterdam

zaterdag 15 januari 2011

Het Quator live

Er is een lijstje in mijn hoofd van muziekstukken die ik live wil hebben gehoord. Hoe het lijstje tot stand komt is lastig te zeggen en de samenstelling wisselt. Het 20ste pianoconcert van Mozart, kan er eigenlijk af maar blijft staan omdat het meer dan eens gehoord mag worden. Een van de pianotrio's van Rachmaninov staat erop. Idomeneo van Mozart, wat van die grote Bruckner-symfonieen. Zeker nog een live-versie van Tristan und Isolde van Wagner, en hup meteen ook maar Die Meistersinger en Rienzi en Lohengrin.
Het Quator pour la fin du temps ken ik al lang op plaat en de kans om het live te horen was er in het Muziekgebouw aan het IJ. Het Nederlands Kamerorkest transformeerde even in het Nederlands Kamerkwartet voor het stuk van Olivier Messiaen. De misschien wel belangrijkste componist van de Franse muziek in de 20e eeuw schreef het Quator onder extreme omstandigheden. Hij zat met enkele andere musici in een krijgsgevangenkamp in Silezie en voor die willekeurige bezetting, piano, viool, cello en klarinet componeerde hij het kwartet. Het thema werd bepaald door het gevoel van een grenzeloze tijd in gevangenschap, het tellen van de uren en de leegte. De ingredienten zijn erg Messiaen, met klanken uit verre landen, vogelgeluiden en diepe religiositeit als oplossing voor de uitzichtloosheid van het kamp.Live is het echt een andere ervaring dan op plaat. Allermooist was het gedeelte waarin de klarinet de boventoon voert, Abime des oiseaux. Mooi gespeeld door Rick Huls. Prima muzikant, net als de anderen. Ik vond het minder dan gehoopt een indrukwekkende uitvoering, meer van een zekere ambachtelijkheid. De muziek deed het werk en de musici deden dat ook, maar de muziek steeg niet op, om het maar spitiueel te duiden. Anderen in de zaal hadden overigens een heel andere ervaring, zo gaat dat met muziek.
Na de pauze trad het grote Kamerorkest aan voor het Mahler-arrangement - oops, in de klassiek heet dat een bewerking - van het strijkkwartet Der Tod und das Madchen van Schubert. Mooi, veel violen en celli. Maar net die subtiele klank en het samenspel met maar 4 instrumenten bij een strijkkwartet, dat zakt een beetje weg bij zo'n grote bezetting.
Goed orkest, fraaie muziek die wellicht nóg mooier had gekund dan hij werd uitgevoerd.

zondag 9 januari 2011

Hohe Messe van Bach

Het seizoen in 2011 voor wat betreft mijn planning, opende in de Doelen met een uitvoering van Bach's Hohe Messe door de Nederlandse Bachvereniging met dirigent Jos van Veldhoven.
Bach is er nooit voor gaan zitten om een Hohe Messe te schrijven, hij monteerde als het ware een aantal al gecomponeerde elementen tot een geheel dat als Hohe Messe bekend is geworden. Het vroege werk stamt uit 1724 en het laatste uit de tijd niet lang voor Bach's dood, uit 1749.
Kleine bezetting, authentieke instrumenten, darmsnaren en een manier van uitvoeren die heel transparant is, dat is het recept van van Veldhoven en de Bachvereniging. In mijn oren raakt dat soms ook de grenzen. Het klinkt zo doorzichtig dat er hier en daar een brij lijkt te ontstaan bij passages waar het tempo wat gaat slepen.
Er werd mooi gezongen, dat heus wel. Johanenette Zomer, die hoor ik graag. Charles Daniels, meer om naar te luisteren dan naar te kijken. Een onbekende verrassing was altus James Laing die mooi en zorgvuldig zong.
Nog maar een paar maanden en het Mattheus-seizoen begint weer. Om nu al naar uit te kijken.
_______________________________________
Koor en orkest Nederlandse Bachvereniging
Johannette Zomer, Dorothee Mields e.a.
De Doelen 6 - 1- 2011.

La Fanciulla in New York

Bij The Metropolitan Opera moeten ze gedacht hebben: bén je verismo, dan krijg je verismo. De productie van de jarige opera 'La Fanciulla del west' van Puccini was van een detaillering die meer raakte aan die van de film dan wat je normaal in het theater vindt. De camera's van The Met in HD, die de beelden leveren voor de wereldwijde uitzending, zaten dicht op de actie. De slotscene, in de straat voor de Polka Saloon, was door die realistische decors en belichting, opmerkelijk filmisch voor een productie in het theater.
In de pauzes van de Met in HD-uitzendingen wordt er vaak even gepraat met solisten, de dirigent of andere betrokkenen. Een van die gesprekken vond plaats in de kelder van the Met en daarin werd een medewerker voorgesteld die ook al in eerdere Met-producties te zien was geweest. Dat hij niet veel te melden had, kwam vooral omdat het hier om een paard ging. Een gespecialiseerd bedrijf levert voor theater en televisie in New York allerlei soorten dieren, van insecten als spinnen tot paarden en honden. Voor 'La Fanciulla' waren 5 paarden nodig, die getraind waren om niet te schrikken van pistoolschoten en applaus.
Puccini was in New York in 1907 voor de premiere van Madame Butterfly, vond daar het toneelstuk 'The girl of the golden west' van David Belasco en gebruikte het voor 'La Fanciulla', de opera die op 10 december 1910 de eerste wereldpremiere vormde voor The Met. In die versie was Toscanini dirigent en Caruso een van de solisten.
Deborah Voigt, die wel 'the sweetheart of the Met' wordt genoemd, zong in de jubileumproductie de zware hoofdrol van Minnie, de saloonhoudster. De combinatie van relatief veel laag en midden met soms wat onverwacht opduikende hoge c's maken de rol zwaar en niet heel goed te doen voor veel sopranen. Voigt, die naam maakte met rollen in het Wagner/Strauss-repertoire, beheerste de vocale kanten van haar rol, maar zeker ook de dramatische. Minnie is zowel stoer als kwetsbaar, heeft lol in wat ze doet maar kan ook bijna instorten van verdriet als haar geliefde Dick Johnson (die eigenlijk de bandiet Ramirrez blijkt te zijn) dreigt te worden opgehangen door de sherrif, Jack Rance. De sherrif wordt gezongen door Lucio Gallo, die de rol ook speelde in de Amsterdamse versie van 'La Fanciulla', die vooral door de bijdrage van Eva-Maria Westbroek een éclatant succes was.
Verismo, dan gaat het, met een link naar het naturalisme uit de literatuur, altijd om 'gewone' mensen, zonder de gelaagdheid van metaforen en mythische figuren die je bij pakweg Wagner of Verdi vindt. Het ontbreken daarvan wordt in deze Fanciulla ruimschoots gecompenseerd met het drama van die driehoeksliefde tussen de saloonhoudster, de boef en de sherrif die hem najaagt. Het happy end, met veelbelovend liefdesgeluk voor Minnie en Ramirrez en immense twijfel bij de sherrif die de boef moet laten gaan, was heel spannend vormgegeven en bewees door de manier waarop het in beeld werd gebracht nog eens de kwaliteit van deze voorstelling, én die van de regisseuse van de HDtv-versie. Je kon zien dat daar heel hard op gerepeteerd was.
___________________________________________
La Fanciulla del West
The Met in HD
8 jan 2010 - Pathe Rotterdam
o.a. Deborah Voigt, Nicola Luisotti, Marcello Giordani, Lucio Gallo