woensdag 21 september 2011

Woody in Parijs

De nieuwe Woody Allen is (eindelijk) in Nederland uit. We zijn in Europa een van de laatste landen waar Midnight in Paris in de cinema's draait. Allen maakte een origineel script over escapisme en dromen van andere tijden en plaatsen.

Zijn hoofdfiguur, de schrijver Gil, is in Parijs met zijn verloofde, waar hij mee lijkt te gaan moeten trouwen. Zij shopt met mams en maakt plannen voor het huwelijk, hij duikt 's nachts onder in een droomwereld. Zijn helden Hemingway, Scott-Fitzgerald, Picasso en Gertrude Stein komen allemaal levensecht voorbij. En overal klinkt Cole Porter.

Al levend in zijn droom leert hij de lessen over het leven. Dat moment van inzicht is het minst geslaagde deel van een film die vooral heel mooi en geraffineerd gebruik maakt van het decor van Parijs. Het is het Parijs zoals Amerikanen dat graag zien, onbedorven sinds halverwege de 19e eeuw en vol schrijvers, schilders en andere intellectuelen die werkend en drinkend de cultuur van de 20e eeuw invullen.

Kathy Bates speelt een erg potteuze Gertrude Stein, Marion Cotillard een geloofwaardig-aantrekkelijke Adriana en bijna iedereen speelt wel een beetje de ingewikkelde en neurotische psyche van Woody Allen.
__________________________________________________________
Midnight in Paris
Woody Allen
Met Owen Wilson en Rachel Mcadams.
Muziek van o.a. Cole Porter

zondag 18 september 2011

Peking Opera in het Tropentheater

Af en toe valt er in de Nederlandse theaters opera te zien die niet of nauwelijks onder de ‘gangbare’ definitie van die theatervorm valt. Althans, niet als je denkt aan Cherubino, Lucia of Billy. Toch past ook Peking Opera goed onder de wat bredere definitie van ‘muziektheater’ en valt er voor liefhebbers daarvan veel te genieten. Afgelopen week bracht het Tropentheater in Amsterdam de wereldpremière van een voorstelling door het belangrijkste operagezelschap in Taiwan, de National Guoguang Opera Company. Regisseur Lee Hsiao-Pin koos voor een nieuwe visie op het oude verhaal over generaal Xiang Yu die het gevecht met zijn rivaal Liu Bang verliest. Uit loyaliteit met Yu doodt zijn concubine Yu Ji zichzelf.
Farewell my concubine
Het verhaal speelt 2200 jaar geleden, maar werd bekend door de film Farewell My Concubine uit 1992, waar de liefdesrelatie tussen twee operazangers de rode draad vormde. De versie van regisseur Hsiao-Pin vertelt het oorspronkelijke verhaal, in een korte, gestileerde vorm. De generaal is te zien, met grote baard en een ‘uitneembaar’ kostuum dat een rol speelt bij zijn sterfscène. In de voorstelling die afgelopen week driemaal te zien was in de grote lichthal van het Tropenmuseum in Amsterdam was de concubine een dubbelrol, gespeeld door twee actrices/zangeressen, één in wit en één in zwart. De twee, Mei-Lan Chang en An-Li Chu, speelden het meest op traditionele wijze. Hun kostuums bleven dicht bij die van de Peking Opera, waar de kleding afkomstig is uit de Ming-periode.Vocaal brachten ze de duizelingwekend hoge frases en uithalen zoals we die ook hoorden bij de meer klassieke Chinese opera, de Kunqu in de Amsterdamse Stadsschouwburg, afgelopen zomer. Hun handbewegingen gestileerd, de pasjes dribbelend zoals in de dan (de vrouwenrol in de Peking Opera) gebruikelijk.

Moderne voorstelling
De regisseur koos voor een aantal revolutionaire ingrepen. Hij begon met een flashback, zeer ongebruikelijk in de Peking Opera. Niet alle tradities werden gevolgd door Hsiao-Pin, die zegt ook beïnvloed te zijn door mensen als Peter Brook en Pina Bausch. Hij produceerde een moderne theatervoorstelling, met nadrukkelijk gebruik van de traditie, in een ‘westerse’ lengte van tweemaal 45 minuten en met muziek waarbij ook elektronica gebruikt werd. Wellicht was hier sprake van echte Chinese ‘regisseursopera’, zoals daarover in de westerse opera vaak wordt gedebatteerd. Hoogtepunt was de zelfmoordscène van de concubine, die in een dramatische act met zwaarden haar einde speelde. En hoewel de voorstelling serieus, indringend en zeker niet circusachtig was, maakte de applausact veel indruk. De groep acteurs die in het stuk als een soort koor de soldaten speelden bedankten met salto’s, sprongen en flic flacs het publiek. Hoe goed ze ook zingen, dát zie ik de leden van het DNO-koor vooralsnog niet doen. Voor wie meer wil zien van Chinese opera: op 15, 17 en 18 mei 2012 is bij De Nederlandse Opera de voorstelling Shi Nai-an te zien door leerlingen van de Beijing Opera School.
[Recensie voor Place de l'Opera]

zondag 11 september 2011

De drijvende diva in de Rijnhaven

Na de twee grote opera-avonden van het Gergiev Festival Rotterdam was er nog één programmaonderdeel waar opera een rol speelde: de stadshappening C the City, op de Kop van Zuid. De ‘zeemeermin van dienst’ Laura Stavinoha zong aria’s in een wel heel ongebruikelijke setting. Het zwaartepunt van het opera-aandeel in het programma van het Gergiev Festival Rotterdam speelde zich twee avonden in De Doelen af. Maar ook voor wie de stap naar De Doelen en de uitgave voor een toegangskaartje te veel was, kon iets van opera horen en zien. ‘C the City’, met 30 kleine concerten in de maritieme en grootstedelijke sfeer van de Kop van Zuid, was de zeer toegankelijke zondagmiddag in het festivalprogramma. ,,C the City – zie de stad, bespeel de stad in C-groot”, zo typeerde artistiek festivalcoördinator Jelle Dierickx dit enorme aanbod in de programmagids van het festival. Hij komt net aanlopen en tussen de uitvoering van het ‘Langste orkest ter wereld’ op de Erasmusbrug en een accordeonconcert in een drijvend paviljoen is er even tijd zijn indrukken te vragen van de première van Sadko, de avond ervoor. ,,Ik vond het magnifiek, zowel de kwaliteit als het succes bij het publiek. En nu maar hopen dat er iemand in de zaal zat die een scenische uitvoering tot stand gaat brengen in de komende jaren. De opera heeft zijn kwaliteit daarvoor wel bewezen.”

Zeemeermin
,,Kijk, daar is de zeemeermin.” Vanachter een steiger drijft een wonderlijk bouwwerkje de Rijnhaven in. Het blijkt een enorme japon te zijn, gemaakt van paraplu’s. Er klinkt muziek uit de speakers op de kade, en ineens is daar een aria van Mozart. ‘Porgi amor’, uit Le nozze di Figaro. De diva drijft langs de kade, aangestuurd door twee stoere mannen in vissenpak en op de achtergrond een boot van de reddingsbrigade. De paraplujurk glijdt als vanzelf mee met de wind en de stroming over het water.

La Boheme in Luxor
Met een camera in de aanslag staat een echtpaar te kijken, meneer maakt de foto’s. ,,We wonen hier vlakbij in New Orleans, zoiets voor je deur is fantastisch.” Of ze wel eens naar een opera gaan? ,,Ja hoor, al is het alweer een paar jaar geleden. La Bohème was dat, in het Nieuwe Luxor hiernaast.” De diva, sopraan Laura Stavinoha, schakelt moeiteloos naar Zerlina uit Don Giovanni. ‘Batti batti o bel Masetto’, de wind werkt even mee en zorgt ervoor dat het orkest uit de speakers mengt met de stem van de zangeres, wier live geluid het wint van de stem uit de speakers. Ze besluit met ‘Unna donna a quindici anni’ uit Cosi fan tutte. De tientallen mensen op de kade voor het Nieuwe Luxor, net van hun verbazing bekomen, applaudisseren voor dit hoogst ongewone recital. Met enige moeite klimt ‘de zeemeermin van dienst’ Laura Stavinoha uit de jurk en van het bootje af.
Buiten is anders
Waarom ze niet gewoon in een zaal zingt, met een orkest? ,,Dat doen er al zo veel. Ik maak graag straattheater, samen met Victorine Pasman, die de jurk heeft ontworpen. Het is klassiek in een andere vorm, waarmee je mensen bereikt die anders niet naar opera gaan. Voorbijgangers, fietsers, ze blijven even staan, of zoals hier, lopen met me mee langs de kade.” ,,Het is natuurlijk veel spannender dan in een zaal, het weer speelt een rol, zoals nu de wind, die leidt tot uitgedroogde stembanden. Natuurlijk klinkt het buiten anders, maar het is ook een ander doel.” Er staan voor deze middag nog twee optredens gepland. Met nieuw, ander publiek, want de mensen op de kade zijn alweer onderweg naar accordeonmuziek in het metrostation of de pianomarathon in Las Palmas.


Reportage voor Place de l'Opera

zaterdag 10 september 2011

Sadko in Nederlandse premiere


Het Gergievfestival dat deze week in Rotterdam wordt gehouden, bracht in zijn programmering rond ‘Sea & the city’ de Nederlandse première van de opera Sadko van Nikolaj Rimski-Korsakov op het concertpodium. De concertante uitvoering, zonder de kleuren van kostuums, licht en decor, was een feest vol tinten, aangebracht door het Rotterdamse Philharmonisch Orkest en koor en solisten van het Mariinsky Theater onder leiding van Valery Gergiev.


Premiere in 1897
Nikolaj Rimski-Korsakov had er heel erg zijn best op gedaan. De componist, die zijn loopbaan was begonnen bij de marine, voltooide zijn opera Sadko in 1897 en hoopte op een première in het toen ook zeer fameuze Mariinsky-theater van Leningrad. Maar helaas, Tsaar Nicolaas II was niet van plan het werk van de liberaal Rimski-Korsakov een plaats te geven in een van de keizerlijke theaters.
Later, met de hulp van de mecenas Mamontov, zou het toch lukken om Sadko op de planken te brengen. Rimski –Korsakov componeerde na Sadko nog vijf andere opera’s, waaronder De Tsarenbruid en de eenakter Mozart en Salieri.

Na 110 jaar ook in Nederland
De tsaar werkte tegen, maar laten we eerlijk zijn, de Nederlandse muziekwereld heeft ook ruim de tijd genomen voordat Sadko een eerste opvoering kon krijgen. Meer dan 110 jaar na jaar na de premiere in het Solodovnikov Theater was het op 10 september 2011 dan zo ver: Sadko ging in Nederlandse première, met Russische zangers en koor, een Russische dirigent en met het Rotterdams Philharmonisch Orkest.
De zee speelt een centrale rol in het sprookjesverhaal van de opera, dat zich zelfs voor een deel op de bodem van de oceaan afspeelt. Niet gek dat het werk een plaats kreeg in de programmering van het Gergievfestival 2011 dat immers als motto ‘Sea & the city’ heeft.

Volkskunst en liefdesthema
Dirigent Valery Gergiev, die voor de derde achtereenvolgende avond voor een orkest in De Doelen stond, nam 15 jaar geleden een dvd op met het Mariinsky Ensemble met de geënsceneerde versie van Sadko. Hij noemt de opera een briljante vertelling over de artiest Sadko, een zanger die de kans krijgt naar een andere wereld af te dalen, op de bodem van de oceaan. Het verhaal heeft sterke elementen van volkskunst, er is een liefdesthema maar er wordt ook uitgebreid de lof gezongen van de stad Novgorod.
In het majestueuze einde is de geliefde van Sadko, prinses Volkhova, veranderd in een rivier, die de stad welvaart zal brengen. Nog altijd stroomt de Volchov door Novgorod en volgens de byliny (heldensage) dankt de stad dat aan zanger Sadko.


Zwart-wit en kleur
Bijna alles was zwart-wit in de Rotterdamse Doelen, maar dat was de buitenkant. De partituur van Sadko biedt tekstueel en muzikaal veel drama, passie, en vooral dynamiek. Voor Gergiev zal de partituur geen geheimen meer hebben, en zo te zien en te horen was het hem gelukt dat op het orkest over te brengen.
Het was hard werken, voor de blazers, voor het slagwerk en vooral voor de strijkers die eindeloze zeegezichten tot klinken moesten brengen. De chemie tussen dirigent en orkest leidde tot een aanpak waarin van beide kanten veel vertrouwen doorklonk.
Het koor van het Mariinsky Theater had op de tribune achter het podium alle ruimte om te stralen, en deed dat ook. Het leverde een aantal van de kleinere rollen en had in zijn bijdrage een glans die een avond eerder wat ontbrak.
De zangers, opgesteld linksachter op het podium, tussen de harpen en de hoorns, waren allen van Russische afkomt en beschikten over het geluid dat je voor dit repertoire nodig hebt.

Zangers
Viktor Lutsyuk barstte als Sadko los met veel volume, moest in het openingsdeel opboksen tegen een behoorlijk hard spelend orkest maar liet zijn kwaliteiten ook horen in de meer lyrische passages. Zijn tegenspeelster, sopraan Tatiana Pavlovskaya, haalde zonder veel moeite het bereik van haar rol als prinses Volkhova, en dat ging aardig de hoogte in.
Een paar zangers hadden we een avond eerder ook in Les Troyens gehoord. Daniil Shtoda maakte toen niet veel indruk en zong nu wat verdienstelijker in zijn solo ‘song of the Indian guest’, een lied dat door veel zangers is opgenomen, zoals Mario Lanza en Alfredo Kraus. Jazzmusicus Tommy Dorsey bewerkte het nummer in de jaren ’30 tot een jazzhit. Met veel humor en expressie leverde bas Andrei Popov lichte en komische elementen in zijn rol als harlekijn. Alexei Markov stond maar kort op het podium maar verrukte met een ‘Venetiaan’ van grote kwaliteit. Hij deelde in de ovaties van het publiek, dat klappend en juichend een zee van waardering door de Doelenzaal liet ruisen.

[recensie voor Place de l'Opera]




vrijdag 9 september 2011

Gergiev groots in kleine 'Les Troyens'


In Rotterdam begon afgelopen donderdag het zestiende Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival. De maestro zelf staat er drie keer. Hij opende het festival met Britten en Mahler en doet op twee achtereenvolgende avonden groot operawerk in de Rotterdamse Doelen. Op zaterdag Sadko van Rimski-Korsakov en op vrijdagavond Les Troyens van Berlioz.
Er fladderen weer handen over het podium van de Rotterdamse Doelen. Gevangen in een harde witte kolom van licht, functioneel, maar met een dramatisch effect, staat Varely Gergiev weer voor een orkest. Zijn karakteristieke dirigeerstijl, schijnbaar meer gericht op toon en klankkleur dan op tempo, bracht al heel veel muziek tot leven in de Doelen tijdens zijn periode als chef van het Rotterdamse Philharmonisch Orkest.
Ze zijn blij en tevreden in Rotterdam met de huidige chef van het Rotterdams Philharmonisch, Yannick Nézet-Séguin, maar als Valery weer even terug is in zijn stad, voel je de opwinding in de zaal. Dankzij het Gergiev Festival kan de Russische maestro jaarlijks laten zien wat hem zo geliefd maakte in zijn Rotterdamse periode. Met zijn bijdragen dit jaar aan zijn eigen festival toont hij aan hoe veelzeggend de titel was van de documentaire die over hem werd gemaakt: ‘Conducting doesn’t tire me’.

Lange opera's
Het is de week van de lange opera’s. In Amsterdam bleek het Iphigénie-dubbel een lange avond op te leveren, en met een Les Troyens van vijfeneenhalf uur doet het Gergiev-festival daar niet voor onder. Een hele ploeg van het Mariinsky Theatre uit Sint-Petersburg kwam naar Rotterdam voor een concertante uitvoering. Een compleet ensemble dus, met eigen koor, orkest, dirigent en solisten en dat moet een ander effect geven dan de meestal op maat bij elkaar gecaste producties in de operahuizen.
Het leidde tot een samenhangend geheel, waarbij Gergiev zijn aandacht vrijwel alleen richtte op koor en orkest. De zangers stonden buiten zijn blikveld en er waren niet – zoals in het operatheater- van die handig verstopte monitoren in de coulissen waarop de solisten de dirigent kunnen zien.

Intieme uitvoering
Hoe ‘grand’ de opera van Berlioz ook is, en hoe goed hij zich ook leent voor de overtreffende trap, het grote was zeker niet de invalshoek die Gergiev voor deze versie koos. Het werd een bijna intieme uitvoering in een Doelenzaal die ineens zoveel kleinschaliger leek dan het Muziektheater. Daar ging anderhalf jaar geleden de herneming van de allereerste uitvoering in Nederland, bij De Nederlandse Opera, met veel en groot decor- en regiespektakel.
In deel een staat zieneres Cassandra centraal. De rol die anderhalf jaar geleden groots en meeslepend in Amsterdam werd gezongen door Eva-Maria Westbroek, kreeg bij Mlada Khudoley een fraaie, betrekkelijk ingehouden invulling. Ze had weinig moeite met de sopraan/mezzosopraan-kanten van haar rol. Ze acteerde bijna naturel, zowel vocaal als theatraal waren haar gebaren klein.
Haar geliefde Chorebus, gezongen door Alexei Markov, klonk goed maar had wat minder uitstraling. Dat is het probleem met een concertante opera, je moet het als zanger van je eigen looks hebben, er zijn geen ingrepen van de kap- en grimeafdeling om je wat meer in je rol te boetseren.

Podiumpersoonlijkheid
In het tweede deel van het verhaal, als Cassandra gestorven is, neemt koningin Dido de hoofdrol over. Anna Markarova bleek een dramatische sopraan van het grote soort. Ze verenigde een goede stem met een superieure podiumpersoonlijkheid. Er schreed opera over het podium als zij zich bewoog. IJzersterk als de statige koningin, maar je kon zien dat ze bijvoorbeeld ook een zeer temperamentvolle Carmen in huis heeft. Haar vibrato was een klein tikje te sterk naar mijn smaak maar verder was het kijken, luisteren en genieten bij deze Dido.
Het duet over de liefde, waar Dido niet meer aan wil, met haar zus Anna, was één van de dramatische hoogtepunten van de avond. De stemmen van Dido en Anna, een rol van Zlata Bulycheva, kleurden mooi en het gezamenlijke ‘pardonnez-moi’ was indrukwekkend. Aeneas, Sergei Semishkur, deed het vocaal meer dan uitstekend. Een heldere tenor die voor de rol van de viriele, stoere Aeneas voor de geloofwaardigheid ook wel even langs de grime had gemoeten.
Van de mannen kreeg Dmitry Voropaev, ondanks zijn betrekkelijk kleine rol van Hylas, veel applaus.Het koor stond een beetje weggestopt achter het orkest, en hoewel wel eens wordt beweerd dat juist dat koor een centrale rol in deze opera speelt, hadden ze in elk geval niet de ruimte, letterlijk en figuurlijk, om dat te doen.
Concertante uitvoering
Er is naar mijn persoonlijke overtuiging veel af te dingen op de concertante uitvoering van opera’s, maar tijdens deze avond gaven muziek en uitvoering me voortdurend ongelijk. De instarts van videoclips met zandtekeningen van Kseniya Simonova deden even weinig toe als af aan deze uitvoering. Het ontbreken van verdere theatrale vorm(geving) en het visuele werden ruim gecompenseerd door de grote eenheid in het spel van het ensemble, door de balans en de akoestiek van het marmeren Doelen-decor en door de hoorbare aandacht die de zangers –niet afgeleid door regie en aankleding- konden geven aan tekst en muziek.
En waar krijg je de kans de dirigent zo goed te kunnen volgen, strak uitgelicht op het podium, met de magie van die fladderende handen in de directie van zijn eigen Mariinsky koor, orkest en solisten. De meesten van hen opgeleid op de door Gergiev zelf gestichte Mariinsky Academie voor Jonge Zangers.
__________________________________________________________________
Les Troyens - opera van Berlioz
Koor, orkest en solisten van het Mariinsky Theater
O.l.v. Valery Gergiev
9 september 2011 - De Doelen

[Recensie voor Place de l'Opera]

maandag 27 juni 2011

Mars der Beschaving - nog een eind te gaan

Het was nog even alsof er nog wat te doen viel aan de harde bezuinigingenn vanmiddag op het Malieveld. De 'Mars der Beschaving', een titel die me wel wat deed fronsen, was zondagavond begonnen voor museum Boijmans-van Beuningen. Ergens tussen de duizend en tweeduizend mensen liepen naar Den Haag. Het startschot werd gegeven door een blatende Johan Simons, na wiens toespraak ik bijna naar huis wilde. Maar het vliegtuig, zelf gebouwd en van hout, van Joost Conijn, symboliseerde de leuke kant van de kunst. Conijn vloog over de demonstranten en verleende zo - zoals iemand het noemde - luchtsteun aan de actie.

De warmste dag tot nu toe dit jaar was qua weer niet helemaal de ideale dag om op een kaal Malieveld te staan, maar ze stonden er. Vele duizenden mensen die, vooral als werknemer/uitvoerder in de kunstwereld actief waren. Het woord 'publiek' kwam in alle toespraken vrijwel niet voor, dat stoorde me wel.
Een deel van de verhalen was mooi en inspirerend, er was bijvoorbeeld een brief uit Parijs van Isabelle Hupert, en een vrij ondubbelzinnig statement van Frits Bolkesteijn. De slottoespraak kwam van Ramsey Nasr die veel dingen zei die me aanspraken.

En toen begon het kamerdebat en bleek al in het 6 uur-journaal dat het allemaal niks had uitgehaald. Vrijwel alle bezuiningen gaan door. Henk en Ingrid krijgen hun zin.

vrijdag 24 juni 2011

Een avond 'opera in het park' - 23 juni 2011

(Repo voor operamagazine.nl)
Het is al een traditie van vele jaren, Opera in het park, in het Amsterdamse Oosterpark. Het Holland Festival brengt een voorstelling live uit het Muziekgebouw op een groot videoscherm in het park achter het Tropenmuseum. Een paar duizend bezoekers keken afgelopen donderdag naar Jevgeni Onjegin van Tsjaikovski. Een impressie.

Het zou moeten regenen, maar het is droog. De zon, die door de voorspellers niet was beloofd, komt af en toe toch door de wolken heen. Het is zes uur en in het Amsterdamse Oosterpark is alles klaar voor de jaarlijkse ‘Opera in het park’. Ieder jaar, tijdens het Holland Festival, is op een groot videoscherm in het park achter het Tropenmuseum een opera te zien die op datzelfde moment wordt uitgevoerd in het Muziektheater. Dit jaar staat Jevgeni Onjegin van Tsjaikovski op het programma.

Sfeer
De tribune is nog vrijwel leeg. Ergens onderaan debatteren twee dames over wat de beste plaatsen – nu nog voor het uitzoeken- zijn voor straks. Als ze er uit zijn, gaat de tas open. Echte wijnglazen worden gevuld en een van de vrouwen zegt vol overtuiging: “gezellig!”

Een paar rijen hoger zit Rienk. Hij is met zijn partner Theo al vroeg aanwezig. “Dan kan je nog kiezen waar je wilt zitten”. Ze zijn speciaal teruggekomen uit Friesland voor deze avond. “We zijn hier al eerder geweest, dit soort zaken mis je wel in de provincie. We komen voor de opera maar zeker ook voor de sfeer. Er zijn altijd allerlei soorten mensen, soms heel ongedwongen maar er zijn er ook die nadrukkelijk ‘sssttt!’ doen als er gepraat wordt. We vonden in vorige jaren Don Carlo erg indrukwekkend. En Götterdämmerung, die hadden we in de zaal gezien maar die was zo bijzonder hier buiten, dat was echt een hoogtepunt”.

Langzaam vult de tribune zich. Er is genoeg zitruimte maar sommige mensen brengen eigen stoelen meer. De habitués kennen de plek, en weten waarmee je je moeten wapenen tegen de bedreigingen bij een openluchtopera: regen, kou, een lege maag en een droge mond. Plastic zakken, dekentjes, een dikke sjaal of een pashmina, er is vooruitgedacht over het weer.
De tassen gaan open, de maaltijdsalade van de Zaanse grootgrutter blijkt het tegenwoordig veruit te winnen van het klassieke thuis voorbereide Tupperware-bakje. De voorraden die zijn meegebracht variëren van een zak drop tot complete meeneembuffeten met tomaatjes, olijven en fruitsalade.
Aan de kraam van De Nederlandse Opera, waar flyers liggen met de synopsis van de opera en folders voor het nieuwe seizoen, vertelt een medewerkster dat er jaarlijks zo’n 2000 mensen op ‘Opera in het park’ afkomen. “Met Carmen was het nog drukker”. Ze kijkt naar de lucht. “Geen idee wat mensen vandaag besloten hebben, nu het weer zo onzeker is. We gaan het zien”.

Techniek
In de wagen van de techniek is alles onder controle. Hemelsbreed is het iets meer dan een kilometer van de Stopera naar het Oosterpark, maar het signaal gaat via de satelliet en maakt een flinke omweg. Tegen achten kiest de technicus het juiste kanaal, nog een paar minuten voor aanvang. “Alleen zware wolken kunnen het signaal in de weg zitten, maar verder kan er niks misgaan”, legt de technicus uit.
De tribune en de banken zitten vrijwel vol, op het scherm verschijnen dia’s en trailers van de DNO-producties voor het nieuwe seizoen en van het komende jubileumweekend in september.

“Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met culturele vorming”, zegt een vrouw lachend en wijst op haar dochter. Die lijkt het best naar haar zin te hebben, ze kijkt vergenoegd om zich heen. Ze is al 16 maanden. “Dit is onze girls’night out”, lacht een groep vriendinnen. De prosecco gaat rond. Ze moeten even nadenken over de vraag wat nou belangrijker is, de opera of het op stap gaan met elkaar. De zon staat het eerste deel van de vertoning nog op het scherm, dat maakt de beelden uit de Stopera wat flets. De audio is goed, er komt een onvervormd, vol geluid uit de speakers. Al zullen de bezoekers in de zaal aan de Amstel de bassen vast niet zo horen donderen als ze in het park uit de speakers komen. En het koor klinkt alsof het tweemaal zo groot is.

Applaus
Na het eerste oogstlied wordt er in het park geklapt. Een mooie passage, zoals die van het koor, of een fraaie aria wordt ook buiten met een applaus beloond.

Tegen de tijd dat Tatjana haar brief schrijft is de zon bijna weg en biedt het scherm wel alle kleur van haar warm uitgelichte schrijftafel. Zeker in die scène gaan beeld, geluid en de vocale- en acteerprestaties, een dikke kilometer verderop, samen in momenten van aandacht. Het is dan stil als in de Stopera.

De beeldregie is bedoeld voor de tv in de huiskamer, maar zeker als regisseur Misjel Vermeiren voor close ups kiest en het beeld even laat staan, werkt dat nog eens extra op het videoscherm. Monsieur Triquet, de wat groteske zanger op het bal in huize Larin, doet het goed op beeld. Als de arme ziel moet worden gered vanwege een brandje in zijn pruik, klinkt er “bravo!” in het park.

“Het is toch wel leuk”, zegt Chantal, boven een glaasje Chardonnay. Ze is met Ed naar het Oosterpark meegenomen, “gewoon om effe te kijken. Ik ben niet zo’n operafan verder maar we wonen vlakbij en wilden het toch wel meemaken. Thuis zou ik het niet aanzetten maar dit is wel echt wat Amsterdam leuk maakt. Zie je hoe gevarieerd het publiek is?”.

In de pauze gaan hier en daar truien aan, en sommigen houden het voor gezien. Dat vroegtijdige vertrek lijkt meer ingegeven door de langzaam dalende temperatuur dan door kritiek op de regieopvatting van Stefan Herheim, wiens enscenering er bij sommige recensenten nogal van langs kreeg.

Rond elf uur is het afgelopen, de tribunes en banken stromen leeg. “Hij wou niet mee”, zegt een vrouw die op haar man wijst. “En wat vond je er nou van?”, is haar niet helemaal open vraag aan hem. “Ik vond het toch best mooi”, zegt hij op commando. Hij moet dat zeggen, dat kan je zien, maar aan zijn stem hoor je dat hij het meent.

donderdag 16 juni 2011

Niet-zoveel-aan-de-hand-films

Naast alle Hogere Kunst waar ik doorgaans mijn tijd aan besteed is variatie met een luchtig bioscoopbezoek soms erg prettig. De laatste weken kwam ik in de zalen van Lantaren/Venster twee keer een film tegen die goed was gemaakt maar ook een aanzienlijk (glim)lachgehalte had.
Tous les soleils van regisseur/schrijver Philippe Claudel is een opgewekte zedenschest met een lach en een traan. Muziekdocent Alessandro is weduwnaar, woont in Strasbourg met zijn kleine dochter en zijn enigzins karikaturale broer Luigi, een anarchist die niet terug wil naar Italie voordat Berlusconi is vertrokken. Alessandro leest als vrijwilligerswerk voor in een ziekenhuis. De oudere vrouw (een opmerkelijke cameo van Anouk Aimée) zorgt onbedoeld voor kansen in het leven van haar voorlezer.
Frisse, snelle film, een soort 'Alles is liefde' maar dan in de Elzas.
Het succes van 'Bienvenue chez les Ch'tis' uit 2008 heeft een vervolg in de nieuwe film van Dany Boon. Niet alleen heel grappig en origineel op de Franse podia, maar ook als filmacteur en als scenario-schrijver heeft hij succes. De film 'Rien a declarer' gaat over het opheffen van de douane tussen Belgie en Frankrijk, in 1993. Aan de Belgische kant woont douanier Ruben, een extreem chauvinistische Belg die de Fransen haat, aan de Franse kant is er douanier Mathias die in het geheim een affaire heeft met de bonbonsverkopende zus van Ruben. Dat geeft gedoe.Het scenario is knap en verrassend en de lol is steeds intelligent. Goed geschreven, leuk geacteerd en erg onderhoudend. Op naar de volgende Dany Boon!

maandag 13 juni 2011

Kunqu-opera in het Holland Festival

Het Holland Festival biedt in de programmering van dit jaar artistieke en muzikale vergezichten naar bijna alle windstreken. Zo was er de mogelijkheid om zeer zeldzame Chinese operacultuur in Nederland te zien bij de optredens van het China Northern Kunqu Opera Theatre, afgelopen weekend in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Het werk dat ze uitvoerden was The jade hairpin, geschreven tijdens de Mingdynastie door Gao Lian.
Het gezelschap, dat ontstond in 1957, richt zich op het in stand houden van de authentieke tradities van de Chinese Kunqu-opera, die meer dan 5 eeuwen geleden ontstond in Noord-China. Kunqu is een combinatie van literatuur, muziek, beweging en zang in een doorgaans kaal decor, waar de teksten, de zang en de begeleiding het werk doen. Daarbij is beweging heel belangrijk, elke gezongen regel kent een eigen bijpassende beweging van handen en armen.

Het Kunqu-repertoire bestaat uit oude, klassieke stukken, die door het gezelschap dat ons land aandeed zo origineel mogelijk worden opgevoerd. Al is het noodzakelijk de opera’s in te korten, want een complete Kunqu-opera kan zo maar 20 uur duren.
Wat maak je mee als het doek opgaat en de kunqu-opera begint? Meteen valt op dat het toneel vrijwel leeg is, een zwart achterdoek, geen versieringen en alleen hier en daar een tafel en wat stoelen die in verschillende vormen gebruikt worden. Het orkest, dat in elk geval niet in een bak zit, blijkt in de coulissen opgesteld te zijn, net buiten het zicht van het publiek.
Vier zangeressen in kimono’s en met zilveren hoofdtooien dribbelen over het podium en zingen over het klooster waar ze deel van uitmaken. De zang is extreem hoog, de bewegingen zijn gestileerd. Na zo'n 3 uur kijken ontdek je dat eigenlijk geen enkele zanger op het podium staat anders dan in een gestileerde, kunstmatige houding. Dat vraagt fysiek veel, lijkt me. Alles is choreografie.Dan verschijnt de abdis van het klooster, waar het verhaal zich afspeelt, op het podium. Haar zang heeft een meer alt-achtige kleur, ze is ouder, haalt minder uit en bezingt het klooster. Haar neef Pan arriveert. Hij is gezakt voor zijn examens in de stad en komt naar het klooster van zijn tante om bij te komen. Zijn stem gaat werkelijk alle kanten op, hij draagt een pastelkleurige roze kimono. Een opmerkelijk detail vormen zijn bewegingen met zijn armen. De mouwen van zijn kimono zijn ongeveer een meter te lang. De witte uiteinden zette zijn dansbewegingen kracht bij, maar als dat niet hoeft moeten ze als manchetten om zijn polsen vallen. De zanger brengt, zonder zijn handen te gebruiken, tijdens de voorstelling wel een keer of 40 de mouwen in positie, altijd met twee elegante bewegingen. Nooit meer, nooit minder dan twee, en het klopt altijd.
Tante abdis stelt aan haar neef voor dat hij gezellig met een van de novices, Chen Miaochang, poëzie kan lezen en die kan bediscussiëren. Dat dat uit de hand loopt is een voorspelbaar thema van alle tijden. Chen, een rol van Kunqu-ster Wei Chunrong, zingt nog hoger dan Pan, haar uithalen gaan met een getrainde piepstem naar grote hoogten.
De taal is prachtig. Boventiteling blijkt ook hier een geweldig hulpmiddel om als publiek het verhaal te volgen. In dit poëtische idioom zingt Pan bijvoorbeeld dat hij over het pad met de lotusbladen liep, in de geur van de kaneelboom en dat hij omgeven door orchideeën de door de zon verlichte blauwe wolkenkamer van Chen bereikte.
De begeleiding door het onzichtbare orkest, dat tien musici telt, bestaat uit muziek op authentieke snaar- en slagwerkinstrumenten. Een klein gongetje met een ‘pwwwwwaaanggg’- geluid zorgt voor de vaart in de voorstelling. Voor en na de aria’s, die worden afgewisseld met recitatieven en 'sprechgesang' klinkt de kleine gong, voortdurend lijkt die tempoaanwijzingen en overgangen aan te geven.
De handelingen in het verhaal worden gedanst, zodat je bijna gaat geloven dat je de boot kan zien waarin Pan weg roeit nadat zijn affaire rond het lezen van poëzie met Chen Miaochang door tante abdis is ontdekt.
Westerse oren zijn niet gewend aan de piepende uithalen van zowel mannelijke als vrouwelijke zangers. Het leidt soms tot een lachje in de zaal. Maar er valt wel meer te lachen, kunqu heeft ook komedie-kanten. Dankzij de boventitels is het verhaal te volgen, krijg je veel mee van de rijke taal en worden die wonderlijke figuren op het podium, hoe ongewoon voor ons ze hun stem ook gebruiken, mensen van vlees en bloed, die plezier maken, liefhebben en daar onder lijden.
Bijzonder om dat dankzij de programmering van het Holland Festival te kunnen meemaken in een Amsterdamse schouwburg.
______________________________________________
The jade hairpin
The China Northern Kunqu Opera Theatre
Stadsschouwburg Amsterdam
11 juni 2011.

vrijdag 10 juni 2011

Brooks' Une flûte enchantée op Holland Festival

Er is echt niks tegen opera, dat niet. Maar het is een kunstvorm die soms zó graag wil imponeren. Alles moet groot en breed. De gebouwen van de opera domineren het silhouet van grote steden, de verhalen zijn groot, de orkesten zijn indrukwekkend, de koren imposant, de stemmen volumineus, de décors gigantisch, .... het is een wonder dat het publiek nog emotie en betrokkenheid ervaart bij al die grootsheid.

Maar wat is het dan heerlijk dat er kunstenaars zijn die zoeken naar vernieuwing, die proberen opnieuw de kern van een opera te vinden en vanuit dat inzicht aan de slag gaan. Jonge mensen die met een open mind kijken naar het materiaal dat er ligt.
Peter Brook is zo’n kunstenaar. Een man die in Covent Garden werkte, in the Met in New York en die in het interview in het programmaboek zegt: “Waarom zou je je energie verspillen aan zo’n stugge vorm?”. Vrijheid is zijn motto bij de productie van Die Zauberflöte van Mozart. De titel ging, net als de spreekteksten, naar het Frans: Une flûte enchantée.
In het Muziekgebouw aan het IJ konden we zien hoe het geworden was. Het operaorkest bestond uit zegge en schrijve één piano. Er was minder tekst dan in het originele libretto van Schikaneder. Minder rollen ook dan Mozart in zijn partituur schreef. Voor zware symbolen kwam lichtheid in de plaats, de Mozartiaanse speelsheid kreeg meer lucht. Het decor bestond uit bamboestokken, een doek, een flightcase, die werd gebruikt om op te zitten of te liggen. We zagen jonge solisten aan het werk, waarbij voor de zangers van de hoofdrollen gold dat ze die al in aardig wat andere operahuizen hadden gezongen, en de 'officiele’ versie dus zeer goed kenden. Tamino werd tot leven gewekt door de jonge, cute Adrian Strooper. Afkomstig uit Cranberra en met reeds een aanzienlijke staat van dienst. Hij zong Tamino al eerder in Sydney, Berlijn, Londen, New York. Maar hij zong bijvoorbeeld ook Bach in Nijkerk. Zijn stem was licht en helder, zijn gesproken en gezongen teksten klonken aangenaam.
De zang werd klein gehouden, door de pianobegeleiding werd het soms meer Lied dan aria. Dat gold ook voor der Hölle Rache, gezongen door Königin der Nacht Malia Bendi-Merad. Klein van stuk, maar met een geweldige coloratuur-sopraan. Haar aanpak toonde aan dat je ook heel mooi coloratuur kunt zingen zonder de volumeknop flink op te draaien.
De vraag of hij leuk wás, of alleen leuk dééd bleef lang hangen boven het guitige hoofd van Thomas Dolié. Hij debuteerde in de rol van Papageno onder Marc Minkowski. Zijn gesproken teksten in het Frans (de gezongen teksten waren in het Duits) maakte niet veel indruk, maar in de loop van de voorstelling bewees hij zijn acteerkwaliteit. Hij wás leuk. Met weinig tekst waren de twee komieken, die in de voorstelling geschreven waren ter vervanging van heel veel andere rollen uit het origineel, heel erg leuk. Ze gaven vooral non-verbaal commentaar en deden dat met subtiele blikken en niet mis te verstane lichaamstaal. Al was er een flardje tekst in een scène tussen de komieken en Papageno –vertaald voor Amsterdam- ‘Kop dicht!’.
De piano, bespeeld door componist Franck Krawczyck, was een glimmende Steynway. Dat had voor mij wel een ietsje ouder instrument mogen zijn. Maar daarmee is het kritisch commentaar dan ook wel gegeven over een voorstelling die gaandeweg een steeds bredere glimlach op de gezichten van het publiek bracht.
Het applaus, dat door een over het podium stormende cast – als was het circus- werd genomen, klaterde alsof het door Mozart zelf werd georkestreerd.
Mooi om te zien, al dat jonge talent, op het podium en achter de schermen. Al is Peter Brooks leeftijd, 86, daarbij een pikant detail.
_________________________________________________
Die Zauberflöte / Une flûte enchantée – W. A. Mozart
bewerking Peter Brook / Marie-Hélène Estienne
muziek: Frank Krawczyk
Productie: Théâtre des Bouffes du Nord – Parijs
9 juni in het Muziekgebouw aan het IJ.

donderdag 9 juni 2011

Dionysos op het Holland Festival

Twee opera's deden de afgelopen weken wedstrijdje om de meeste aandacht voorafgaand aan de première. De Gluck-opera bij Soestdijk won het in de breedte - tot en met in het NOS-journaal kreeg regisseur Thie aandacht. Dionysos van De Nederlandse Opera won het in de diepte. Pagina’s werden er al volgeschreven, er werd gedebatteerd, en dat allemaal nog voor het publiek één noot had gehoord. Oh ja, nog een parallel: de locatie. Soestdijk is echt een buitenlocatie, maar ook voor DNO is een voorstelling in de Gashouder van de Westergasfabriek een locatieproject.
Mooi, al die analyses en voorbeschouwingen, maar op een bepaald moment is het dan toch woensdag 8 juni, zit de tribune in de Gashouder vol met première-publiek en staat er maar één ding te doen: een voorstelling maken die indruk maakt, die anders is dan al die opera die er al bestaat en die vanuit noodzaak gemaakt is.

Er is geen verhaal, het is een operafantasie. Dat weten we van componist Rihm. De toch al fragmentarische teksten van Nietzsche’s ‘Dionysos-Dithyramben’ zijn in flarden gebruikt. Het blijken vooral de karakters, de rollen die de lijnen leggen in de voorstelling. Hoofdfiguur N, hij heeft geen naam maar het staat het publiek vrij er de schrijver van de teksten in te zien, worstelt met eenzaamheid en het onvermogen lief te hebben. Kansen krijgt hij genoeg. In de eerste scènes, waarin hij omgeven wordt door nymfen. Ze zingen verleidelijk 'mij wil je' in allerlei toonaarden, maar N. kíjkt slechts, beweegt ongemakkelijk en staart met grote ogen, een blik waarin onvermogen en gekte zit. Een van de nymfen verandert in Ariadne en ook zij probeert hem te verleiden en hem aan het spreken te krijgen. Met heel veel moeite komen er woorden uit de mond van N. 'Ik ben je labyrint’, stamelt hij. Ook in een latere scene, in het bordeel, zien we hoe moeilijk N. het heeft met de liefde. Zijn kompaan , die alleen 'Ein Gast' heet, slaagt er wel in zich over te geven. Al eindigt hij letterlijk in stukken. De dames zijn nu nog spannender, zo weggelopen uit de fetish-shop. Ze heten allevier Esmeralda en ze noemen N. 'vrijer van de waarheid'. De kompaan transformeert van ‘Gast’ naar een wit met gouden Apollo. De tegenstelling tussen Dionysos, van de roes en de overgave, en Apollo, van de vorm en de lichtheid, is een rode draad in de voorstelling. Met een scène die verwijst naar de waanzin van Nietzsche tijdens het schrijven van de Dionysos-Dithyramben, eindigt de opera. Allen staan op het podium en buigen het hoofd.
Bij een opera met een duidelijk verhaal is het oordeel dat 'alles klopt' een groot compliment. Dat gaat niet op voor deze voorstelling, waarin niet een verhaal maar roes en waanbeelden de beweging geven. Hoewel er soms wat langdradigheid optreedt, zeg ik zonder voorbehoud dat alles wérkt in deze productie.
De rollen zijn goed bezet, met Georg Nigl als N., die met ogen vol waanzin en een literaire vaardigheid de teksten brengt. Tenor Mathias Klink geeft Ein Gast en later Apollo een stevige tenorstem. De zangeressen moeten zingen maar ook veel acteren en bewegen. Ze komen in vele gedaantes voor in deze opera. Als speelse dolfijnen, als Dutch Diva look-a-likes, als oermoeders. Met name Cyndia Sieben, die ook de rol van Ariadne zingt, tovert met de hoogte in haar stem, soms ver voorbij de pijngrens. En dan heb ik het alleen nog maar over de luisteraar. Ronduit briljant – ook als vondst in de partituur- zijn de tonen die ze naadloos mengt met die van de dwarsfluit in het orkest. Jonathan Meese maakte een theatraal maar vooral artistiek decor. Ingo Metzmacher werkt met het Nederlands Philharmonisch Orkest elegant de rijke partituur door. Er klinkt veel mooie muziek uit de overvolle orkestbak. Capella Amsterdam, op het podium maar ook veel met geheimzinnig geluid er achter, doet het prima.
De theatertechniek van DNO heeft de mogelijkheden en beperkingen van de ronde zaal slim ingezet. Ze maken geluidseffecten die subtiel maar effectief de klank door de ruimte spreiden, zeker bij het slagwerk. En dat de decorstukken net wat meer piepen en kraken dan aan de Amstel, is een detail.Het publiek heeft het laatste woord. Zo enthousiast als bij de première in Duitsland werd er niet gereageerd. De applausmeter bleef steken ergens rond de acht-min. Componist Rihm deelde in het applaus, aaide dirigent Metzmacher even over de bol en keek tevreden de volle zaal in. Hij zal de komende maanden nog vaak gehoord worden, niet alleen in het operahuis maar ook in de concertzalen.
Foto's: ©Ruth Walz/DNO
_______________________________________
Dionysos - Wolfgang Rihm
Muzikale leiding: Ingo Metzmacher
Regie: Pierre Audi
Decor: Jonathan Meese
Met o.a. Cyndia Sieden, Matthias Klink, Georg Nigl
Nederlands Philharmonisch Orkest
Cappella Amsterdam
Premiere 8 juni 2011

zondag 29 mei 2011

Operadagen Rotterdam: slotgala met Anna Caterina Antonacci

Het vocale vuurwerk kwam gisteravond niet alleen van het podium. Een man in het publiek slingerde in de halve seconde tussen het wegsterven van de muziek en het applaus een zeer forte 'brava!' de zaal in na iedere aria van sopraan Anna Catarina Antonacci. Het paste wel bij de ambiance van een enigzins sjiek operagala. Ik zou, als ik directie van De Doelen was, misschien wel bewust op zoiets aansturen en iemand voor een boekenbon vragen dat soort 'echte' opera-elementen in de voorstelling te stoppen.
Ze was eerder in Rotterdam maar ik had Antonacci nog niet live gehoord. Ze was deel van het grootschalige einde van tien zeer gevarieerde Operadagen Rotterdam. Die boden een uiterst breed scala van traditioneel tot supermodern, van klein tot groot en van klassieke theaterzaal tot locatievoorstellling.
Het RphO is dezer dagen veel in 020 te vinden in de orkestbak van het Muziektheater. Daar begeleiden ze 'Der Rosenkavalier', in Rottterdam was het Mozart, Wagner en de Fransen Berlioz en Massenet.
In kleine bezetting bracht het orkest de fonkelende ouverture uit La clemenza di Tito, waarna de sopraan zich voor het orkest opstelde voor 'Parto Parto', een aria uit dezelfde opera. Groot applaus en dat 'Brava!'. Meteen erna volgde 'D'Oreste, d'Aiace' uit 'Idomeneo'. Het Rotterdamse publiek reageerde zelfs op deze provocatie -deze aria heet vertaald in het Nederlands 'Van Orestes en van Ajax'- met een ovatie. Met een een aria uit 'Faust' van Berlioz eindigde het eerste deel.
Groot bezet begon het orkest aan deel twee na de pauze. De Wagner-ouverture van 'Der fliegende Hollander' was hard maar verukkelijk dynamisch en Groot-Wagneriaans, met glanzend koper. Een man op een plaats achter het podium stopte nadrukkelijk zijn vingers in zijn oren. Dat deed hij later ook toen Antonacci zong. Merkwaardig.
Met instrumentale en vocale stukken uit Carmen besloot het Operagala. Waar sopraan, orkest en publiek zich aan alle conventies hielden en waar het, wellicht daardoor, ook wel een beetje saai en risicoloos was.

De organisatie van de Operadagen Rotterdam liet zondagochtend via Twitter weten wat het thema volgend jaar zal zijn:

zaterdag 28 mei 2011

Juliette Greco in Carré en pleine forme

Juliette Greco was voor het eerst sinds lang weer eens in Nederland en ik was erbij in Carré. Hoewel ik al heel lang erg graag luister naar een van de laatste groten van het klassieke, literaire chanson, ben ik redelijk laat begonnen aan haar concerten. De eerste keer dat ik Greco live zag was in het Theatre Chatelet in Parijs. Ze  vierde haar tachtigste verjaardag  in 2007 en deed in het Parijse theater aan de Seine een serie van vijf  avonden.
Nokia filmpje
Waar tegenwoordig na ieder groot concert tientallen filmpjes in no time op YouTube komen, was dat voor die vijf avonden in Chatelet niet het geval. Sterker nog, ik was de enige. Dat zal de reden zijn dat mijn Nokia-opname - discreet gemaakt bij de toegift om niemand te storen- als enig verslagje al wel 4500 keer bekeken is. Het is een filmpje van niks, maar wel de start van een genre dat ik met Nouvelle Vaag zou willen aanduiden. Het Carré-proletariaat zat overigens helemaal niet met de overlast die al die schermpjes geven. Zelfs in een complete black out, belangrijk stijlmiddel bij het belichten van het chanson, wemelde het van de schermpjes en enkele extreme dumbo's gebruikten zelfs flits.

De oude dame
Een gemengd publiek, met veel mensen die je als oud&arty zou kunnen omschrijven, vulde de foyers van Carré. Een echtpaar aan mijn tafeltje kwam letterlijk zo van Schiphol binnenhijgen, blij dat ze het gered hadden. Hij was fan, zij ging solidair mee. Dat deed ze al in de jaren '60.
Speelt het feit dat de oude dame al 84 is een rol bij het kijken naar zo'n optreden? Ja, en nee. Natuurlijk ben je benieuwd of ze het nog allemaal redt, vraag je je af hoe lang ze zal optreden en merk je de discreet tussen de audiomonitoren opgestelde autocue-schermen op.
Maar:  je moet misschien wel zo oud zijn om zulke doorleefde uitvoeringen te geven van stukken als 'Avec le temps' van Leo Ferré, dat een rauwe uitvoering kreeg. 'Ne me quitte pas' zong ze misschien wel twee keer zo snel als vroeger, met andere accenten. Het repertoire en de stijl van Greco zijn tijdloos en dan maakt leeftijd niet zo veel uit.

Begeleiders
Ze bracht alleen echtgenoot en vaste pianist Gérard Jouannest en een accordeonist mee. Jouannest is altijd de bescheiden begeleider op het podium, die pas de zaal inkijkt als hij wordt voorgesteld en dan hoofs buigt naar zijn echtgenote. Toch is het die meneer aan de vleugel die verantwoordelijk is voor al die muziek bij veel chansons van Brel. Dat repertoire speelde in het Carré-optreden een grote rol. Oud en moderner repertoire zong Greco, een paar, maar niet teveel verplichte nummers als 'Deshabille-moi' en 'Jolie Mome'.
Jammer genoeg niet Julien Clercs 'Utile', dat ze zo mooi zingt en niet het oer-chanson 'Les feuilles mortes'. Wel een blokje Gainsbourg-chansons, met daarin zijn lied over 'Les feuilles mortes', dat 'La chanson de Prévert' heet en een van de mooiste liedjes is die ik ken.

Modern repertoire
Geen lange verhalen, wat korte grappen, en consequent de namen van schrijver en componist, zoals ze dat al eeuwen doet. Greco is zich zeer bewust van haar rol en verantwoordelijkheid als interprete. Ze opende met een nieuw stuk, 'Je me souviens de tout', van een cd uit 2009, over haar herinneringen aan de oorlog. In die sfeer was ook 'J' arrive', het lied over de dood, dat Brel schreef. Het werd subtiel maar theatraal uitgelicht. Het licht speelde een vrij grote ondersteunende rol op het podium.
Dat Greco niet is blijven hangen in de fifties bleek uit de samenwerking de laatste jaren met schrijver/rapper (eigenlijk slammer) Abd Al Malik. Op dit filmpje doet ze live haar bijdrage aan een van de stukken op Malik's mooie cd 'Dante.

Malik is een poetische slammer, net als Grand Corps Malade, die alleen met gesproken woord en een begeleiding werkt.

Het was een mooie avond aan de Amstel, in Carré, dat voor een paar uur ook wel de Olympia, of Bobino leek te zijn.
______________________________________________________
Juliette Greco met o.a. Gérard Jouannest
Carré
27 mei 2011




donderdag 26 mei 2011

Container: Interessant..en toch goed

Het was niet eenvoudig om vooraf een beeld te krijgen van wat je kon verwachten van de locatievoorstelling 'Container'. De vraag is of dat nodig is. ‘Laat je verrassen’ zei een dame bij de kassa op de vraag van een bezoeker naar een programmaboekje.
'Container' is een productie van regisseur Sjaron Minailo. Hij was eerder verantwoordelijk voor 'De Cornet', de openingsvoorstelling van 2011 van de Operadagen Rotterdam waarover nu nog gepraat wordt.
De voorstelling is gebaseerd op de film 'Container' van de Zweedse regisseur Lukas Moodysson. Zijn art house films bereiken geen groot publiek, al was ’Fucking Åmal’ een behoorlijk succes. Elena Vink, speelt en zingt de enige rol. Haar cv vermeldt een breed repertoire van Mozart en Haydn tot muziek uit de avant-garde. Het duo Glowicka & Vega maakte de muziek.

Het decor, of de installatie, is opgebouwd in de bibliotheek van het Nederlands Architectuur Instituut in het Rotterdamse Museumkwartier. We zien een meisjeskamer. Een meisje van het slordige soort. Maar later blijkt het ook de ruimte van onder meer een operazangers en een vrouw die evangeliseert. Rommelig, hard verlicht met tl-balken. Kleding en pruiken en oh ja, kauwgum, een binnen het muziektheater vast weinig gebruikt attribuut. Op de achtergrond een filmdoek, losjes opgehangen, waarop de film 'Container' wordt geprojecteerd.Het verhaal begint met de opkomst van zangeres Elena Vink. Hard zwart haar, kinky laklaarzen tot ver boven de knie. Zwijgend zit ze voor de make up tafel. Op de geluidsband is haar stem te horen. Een stem die zacht praat maar dat dicht in de microfoon doet. Flarden tekst, met zinnen als: ‘Brad Pitt will come to Sweden to marry me’. Soms playbackt ze mee met de band, af en toe praat of zingt ze.
Vink speelt vier figuren die één personage vormen. Sommigen zijn duidelijker dan anderen. Heel concreet wordt het als we de operazangers te zien krijgen. De tv springt aan en er start een opname van Elena Vink in het Concertgebouw. In alle vervreemding klinkt ineens de stem van Hans van den Boom van Radio4 die haar aankondigt. Ze zingt 'Hölle Rache' uit de 'Zauberflöte'. De actrice playbackt met veel ironie mee, de kinky outfit is verruild voor een operajurk.
‘I am not a celebrity’ zegt ze, als de video stopt. Ze blijft preluderen op de aria, tot ze in een volgend deel als evangeliste eindigt.

Er is veel ‘aanwezig’ in deze voorstelling. Fascinerend aanwezig is Elena Vink die, ook op momenten dat tekst en handeling verwarrend of onduidelijk zijn, de aandacht vangt en niet meer loslaat. In elke fase van het stuk en na elke verkleding glijdt ze moeiteloos in een nieuw karakter.
De muziek is hard, onontkoombaar. De teksten, waarvan flarden herhaald worden, zijn lang en soms onduidelijk. Het vraagt veel aandacht om zowel de aanwezigheid van de actrice als de beelden op het doek en de geluidstrack parallel te blijven volgen.

Interessant, dat vind ik wel een goede omschrijving van mijn indruk van 'Container'. En dan niet het ‘interessant’ waarmee je voorkomt dat je iets zinnigs moet zeggen over een volstrekt onbegrijpelijk kunstwerk. Interessant, in de betekenis van: nooit eerder gezien, vernieuwend, niet meteen helemaal begrijpelijk maar de moeite van het meemaken meer dan waard.

_________________________________________________
Productie: Studio Minailo in coproductie met Operadagen Rotterdam
Regie: Sjaron Minailo
Muziek: Glowicka & Vega
Zang/spel: Elena Vink

dinsdag 24 mei 2011

Toooo much Medea

Daar ging mijn beginzin. Op weg naar 'Medea' in de Rotterdamse Schouwburg had ik bedacht de recensie van deze voorstelling in de Operadagen Rotterdam te openen met een opmerking over het enorme spectrum aan vormen, soorten en stijlen van opera die in deze tiendaagse voorbijkwamen. En dat het wellicht juister zou zijn te spreken van ‘muziektheater dagen’.
Inleider Paul Slangen, de dramaturg van de Veenfabriek, kwam met een theorie, een letterlijke formule die het onderscheid aantoonde tussen opera en muziektheater. Hij stelde, op basis van de muziektheoretische opvattingen van schilder en denker Kandinsky, dat bij de opera de formule 1+1=3 opgaat. Toneel en zang zijn eigen disciplines, die samenwerkend tot een groter geheel komen. Bij muziektheater luidt de formule 1 – 1 = 2. De disciplines moeten ruimte maken voor elkaar om tot meerwaarde te komen. Dus muziektheater als hoofdbegrip van een genre waaronder ook opera valt, dat is nog maar de vraag.
Dat 'Medea' geen traditionele opera was, bleek uit de opstelling op het podium van de Rotterdamse Schouwburg. Musici, acteurs, de zangers zaten op één lijn. Figuurlijk, waarschijnlijk, maar vooral letterlijk, ieder op een ander soort stoel of zetel. Concentratie in plaats van de gezelligheid van een halve cirkel, dat wilde regisseur Paul Koek.
Er waren monologen, geschreven door Paul Verhelst, en er was zang, door de Turkse zangeres Selva Erdener. Haar ‘Lamento’ was een woordeloos gezang, dat door de hele voorstelling klonk. Het orkest had Oosterse en Westerse instrumenten. Die gaven, begeleid door muziek op een geluidsband, een bijna hallucinerend geluid. Bewust waren de klanken van fluit, viool en klarinet gemengd met percussie en duduk, een blaasinstrument dat dicht bij de menselijke stem ligt. Componist Wim Henderickx speelde percussie en dirigeerde zijn muziek vanuit het midden van de rij.Verhelst’ monologen waren rijk van taal en stonden centraal in deze voorstelling met 4 monologen. De verhalen van Kreon, de koning van Corinthe en diens dochter Glauke openden de voorstelling. In de rij zaten de musici en de andere acteurs voor de rollen van Jason en Medea. Ook als zij geen tekst hadden speelden ze. Zonder woorden waren er grote emoties, hels verdriet en de barensweeën van Medea. Alle vier de karakters uit deze opnieuw van tekst voorziene Griekse tragedie hebben alles verloren en dat lot beleven ze in een hartverscheurende dramatiek.
De manier van acteren, de intensiteit van de emotie en de ongeremdheid van de speelstijl, het spreekvolume, de waanzin, het zijn vormen die je tegenwoordig bij veel modern toneel uit Vlaanderen en Nederland meemaakt.
Daar hebben we in het hedendaagse spraakgebruik een allesomvattende en veelgebruikte term voor, die voortdurend in mijn hoofd zat bij het kijken naar Medea: heftig.
Te heftig, mag ik wel zeggen…
______________________________________________
Medea
De Veenfabriek / Muziektheater Transparant is.m. HERMESensemble
Regie: Paul Koek
Muziek: Wim Henderickx
Tekst: Peter Verhelst
24 mei in Rotterdam.

maandag 23 mei 2011

Angelika Kirchschlager: Jaugzend und betrübt

Op de foto die in de publiciteit van de Rotterdamse Operadagen wordt gebruikt, kijkt ze stoer en een tikje spottend in de lens. Angelika Kirchschlager, mezzo-sopraan uit Oostenrijk. Ze heeft bij mijn weten niet vaak in Nederland opgetreden. In 2002 deed ze tijdens een Europese tournee met het Orpheus Chamber Orchestra het Concertgebouw aan. Ze is een geslaagde zangeres die, inmiddels halverwege de 40, met grote dirigenten, op belangrijke podia in spraakmakende producties heeft gestaan. Twee jaar geleden in The Met, in Hänsl und Gretel van Humperdinck. Eerder, in 2004 in Salzburg, als Octavian in Der Rosenkavalier.
Toch is opera niet haar enige vakgebied. Live en op de plaat is de liedkunst een ander favoriet terrein van de mezzo. Ze nam voor Hyperion alle Brahmsliederen op en maakte platen met liederen van Schumann en Hugo Wolf.
In het brede en overvolle programma van de Operadagen Rotterdam was het recital dat Angelika Kirschschlager met haar vaste begeleider Helmuth Deutsch afgelopen zondagmiddag in de Grote zaal van De Doelen gaf, een prettig rustpunt. Ze had gekozen voor 4 componisten en voor schakeringen van droefheid, grote droefheid, oneindige droefheid, uitzichtloze droefheid maar ook af en toe wat lichters.

In een samenwerking met begeleider Deutsch, zichtbaar gebaseerd op blind vertrouwen, weefde ze een klanktapijt in 27 kleuren, waar geen rafel, geen vlek en geen scheurtje aan te ontdekken viel. Alle muziek, alle teksten kwamen even gemakkelijk, trefzeker en mooi golvend uit haar mond. Ze zette boogjes in die richting hadden en waarvan duidelijk was dat ze exact wist waar het heen ging. Zingen met ronde hoeken, dat is een typering die bij Kirchschlager past. Het zag er bijna moeiteloos uit, ze liet muziek en tekst het werk doen. Een enkel lied had zoveel humor en kwam met zoveel plezier de zaal in dat het publiek in goedbedoelde obstructie soms ook tussen blokken liederen door applaudisseerde.
Somberheid, treurnis, donkerte, het was er allemaal. Melancholie soms, in een Brahms-lied als Űber die Heide. ‘Leben und Liebe – wie flog es vorbei’. Schuberts ‘Gretchen am Spinnrade’ kwam eerder stoer dan smachtend tot leven. En van Goethe’s gedicht Klärchen’s Lied (Die Liebe), dat in 9 regels de gestalten van de liefde beschrijft, was die ene beroemde zin ook een weergave van de breedte in emoties die Kirchschlager bereikt:’Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt'.Liszt, muzikaal net wat eigenzinniger dan de anderen, was vertegenwoordigde met het bittere ‘Vergiftet sind meine Lieder’. Liederen van Mahler uit Des Knaben Wunderhorn maakten het programma compleet.
Er komen nieuwe kansen om Kirchschlager in Nederland aan het werk te horen. In het Holland Festival is ze op 15 juni 2011 in Amsterdam voor The Rape of Lucretia van Benjamin Britten, samen met onder andere Ian Bostridge. En in februari 2012 staat ze opnieuw op het Doelenpodium, samen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de Kindertotenlieder van Mahler.
__________________________________________
Angelika Kirchschlager, mezzo-sopraan
Helmuth deutsch, piano
Liederen van Schubert, Mahler, Liszt en Brahms.
22 mei 2012 in de Doelen in Rotterdam.

zondag 22 mei 2011

Mahlers melancholie

Het publiek dat een van de concerten op de tweede avond van de Operadagen Rotterdam wilde bezoeken, moest het centrum, uit. Door het park, of over de dijk, naar de tv-studio in de Schiecentrale. De omgeving van de Mullerpier is omgevormd van oude havenactiviteiten naar wonen en werken in de audiovisuele media, filmproductie en de kunst. Er zijn allang geen Komponierhauschen meer, zoals Mahler er een bezat, er zijn nu studio´s waar componisten achter Apple-computers aan klankdesign werken.
Zonder Apple deed Mahler dat in feite ook. De klankwereld in Mahlers Lied von der Erde, op grond van de enscenering vertaald naar Het lied van de aarde, heeft een trage, diepe melancholie. Het is de vraag in hoeverre Mahlers levensomstandigheden een rol speelden bij de keuze voor muziek en tekst. Die Chinesische flöte van Hans Bethge bood Mahler de tekstuele basis voor muziek die somberheid en melancholie uitdrukt, veel meer dan in de stralende werken uit zijn eerdere periode.
Reinbert de Leeuw bewerkte vorig jaar Das Lied voor klein ensemble. Er kwam een partituur voor slechts 13 musici van Asko | Schönberg. Regisseur Neil Wallace maakte voor de Operadagen een semi-enscenering voor de grote speelvloer van de studio. Als achtergrond was er een grote videowand. Wallace maakt vaak gebruik van dat medium. Er waren twee solisten, die heel wat meer deden dan Liederkunst en net wat minder dan gespeelde opera. De rol die tenor Yves Saelens zong, vraagt veel van een zanger. In sommige delen is het geluid van een heldentenor gewenst, in andere moet het lyrisch klinken en meer gevoileerd. Die beide kanten waar vocaal dik in orde. Ook de rol die in de enscenering was ontstaan vroeg breedte. Het eerste lied, Trinklied vom Jammer der Erde heeft uitgelatenheid in strofen als ‘Ein voller Bechter Weins zur rechten Zeit, Ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde´. Maar er staat ook: ‘Leert eure goldnen Becher zu Grund! Dunkel ist das Leben, ist der Tod´.
Mezzo-sopraan Birgit Remmert heeft alleen op plaatgebied al een enorme Mahler-catalogus gezongen. Bij het tweede lied in de cyclus, Der Einsame im Herbst, nam ze alle ruimte en alle tijd om de diepe melancholie in te kleuren. ´Mein Herz ist müde´, het klonk in haar stem en het was zichtbaar in haar spel. Pas in het laatste lied, Der Abschied, moest ze zwaarder aanzetten, meer geven. ´Ich suche Ruhe für mein einsam Herz’ staat er halverwege, om te eindigen met het wegstervende Ewig…ewig…ewig.
Eigenlijk werden er weinig middelen voor deze productie ingezet. Videobeeld, wat stoelen, periode-kleding voor de solisten, een hoop aarde, meer niet. De melancholie, de doorleefdheid van donkerte en somberheid, hadden niet meer nodig.
Dicht op het orkest, op maar enkele meters afstand van de zangers, was elk detail, elke stembuiging, de klank van cello, harp of hobo en de trage melancholie in volle schoonheid te genieten. Het publiek beloonde alle medewerkers met een stevig applaus, maar eerst met: stilte.

____________________________________
Mahler – Das Lied von der Erde / Het lied van de aarde
bewerking en muzikale leiding Reinbert de Leeuw
regie Neil Wallace

zaterdag 21 mei 2011

Een Dido van nog maar 28

De Operadagen Rotterdam zijn afgelopen vrijdagavond geopend. Buiten gebeurde dat op het Schouwburgplein, waar enkele Rotterdamse koren zongen rond de appel, het symbool van deze zesde editie van het festival. De appel verwijst naar de zondeval in het paradijs, het verloren paradijs. Binnen het festivalthema ‘het verloren paradijs’ koos de organisatie voor de opera Dido and Aeneas van Henry Purcell als opening. Dido verliest zichzelf, wordt haar ergste vijand richting haar dramatisch einde en verliest zo het paradijs.
De voorstelling van regisseur Timothy Nelson en dirigent Nicolas Achten staat meteen. Je voelt dat er, ondanks de complexe thema’s die in en onder het verhaal en de muziek zitten, bij de makers een grote gedecideerdheid is over hoe ze hun versie willen vormgeven. Muzikaal leider Achten heeft jarenlang heel zorgvuldig de partituur en de bezetting bestudeerd. Hij heeft – zo blijkt uit de programmatoelichting- hele uitgesproken keuzes gemaakt voor verklanking en bezetting van het werk. Het orkest, Scherzi Musicali, is met 8 musici heel klein bezet. Het koor heeft één zanger voor elke stem. Met die kleine, authentieke invulling van het muzikale deel gebeurt er in de orkestbak al het nodige, transparant en authentiek.
Je hoort alles, de keuze van de tempi – heel snel in de ouverture en gedragen in de meeste aria’s, de instrumentatie met barokgitaar en slechts 2 violen. Het orkest is erg jong, maar dat geldt eigenlijk voor alle medewerkers aan deze productie.
Op het podium opent het koor met een nerveuze choreografie. In de opvatting van regisseur Timothy Nelson zijn alle rollen, op die van Dido en Aeneas na, niet zozeer karakters maar stemmen en invloeden in het hoofd van Dido. Dat thema staat centraal. Ze zit bedroefd, verweesd, neurotisch aan een tafel. Ze slikt haar laatste pillen. De koorleden beelden de geesten, de rol van Belinda, de second witch en de second woman uit met zang en kleine, scherpe choreografieën. Dido is niet de statige vrouw die haar liefde, tegen haar eigen voornemen in, heeft gegeven aan de prins van Troje om daarna door hem verlaten te worden. De Dido van Rosanne van Sandwijk (nog maar 28 jaar oud) is een getergde, zelfdestructieve vrouw die in een periode van vóór psychotherapie en Rogeriaanse counseling gesloopt wordt door haar gevangenschap in haar eigen emoties. Die richten haar uiteindelijk te gronde.Voor het toneelbeeld en de aankleding werd door de regisseur gekozen voor het Amerika van de jaren ’50. Een vintage koelkast, met skai beklede stoelen en Dido in een glamorous duster die aan Joan Crawford doet denken.
Op vocaal gebied wordt er vaak gebalanceerd tussen zang, spel en choreografie. Olivier Berten, de bariton met veel oude muziek-ervaring, zingt een niet zo aanwezige Aeneas. Hij doet zijn best maar kan weinig betekenen voor de lijdende Dido. Zijn rol en zijn zang zijn klein gehouden. Sopraan Rosanne van Sandwijk zingt uiterst verdienstelijk. Ze zet in met wat vibrato maar zeker in de slotaria is het volume klein, zeldzaam ingehouden. Ze zet geen stevige stem op om te epateren maar alle verdriet in het tragisch einde van Dido zit in haar zang én acteren. Bij Dido’s Lament staat ze alleen op het podium. De glimmende duster gaat uit. Gevangen in een volgspot stapt ze, in een onderjurk, recht naar voren, over de orkestbak de zaal in. Dat ze kan zingen, zag de jury van het Bossche Vocalisten Concours al. Dat ze kan acteren bewees ze vanavond. En dat ze met zoveel kwetsbaarheid een zaal kan ontroeren, dat bleek ondubbelzinnig. ‘Remember me’. Dat zal wel lukken.

vrijdag 13 mei 2011

Figaro versneden tot liedjesprogramma

Het Nederlands Blazers Ensemble (NBE) bestaat al 50 jaar, maar klinkt en toont jonger dan ooit. Dankzij Radio 4 konden we afgelopen weken uitgebreid meeleven met de reis van het ensemble door het Midden-Oosten. Een bezoek van Maartje van ‘De Klassieken’ aan het honk van het NBE jongstleden dinsdag werd bekroond met de bekendmaking dat het NBE de Radio 4 Prijs krijgt.Schijnbaar onvermoeibaar was het ensemble gisteravond naar de Rotterdamse Doelen gekomen, samen met sopraan Johannette Zomer en bariton Frans Fiselier, voor De Bruiloft van Figaro! Dat uitroepteken hoort erbij. Het idee was dat de blazers een ‘kleine’ versie van Mozarts Le nozze di Figaro zouden spelen, dat de zangers met zijn tweeën vrijwel alle rollen voor hun rekening zouden nemen en dat het publiek met de juiste toelichting niet zou verdwalen in het verhaal.
Om die toelichting mogelijk te maken zat hoboïst Bart Schneemann achter een keyboard en deed de verbindende teksten als Basilio, de muziekleraar in het Nozze-verhaal. De solisten hadden voor elke rol kleding en schoenen, zodat het publiek zou snappen wie ze vertolkten.
De musici waren zo aardig geweest hun authentieke instrumenten mee te brengen, dat zou mooi passen bij de muziek van Mozart. Dapontes zorgvuldig gebeeldhouwde teksten waren vol taalguitigheden bewerkt door Ivo de Wijs. Het bruiloftsfeest kon beginnen!
Jammer dat de ouverture voor geen meter klonk. De muziek werd versterkt en kwam uit speakerboxen op het toneel. Bart Schneemann had een pruik op en deed een openingstekst, iets ironisch-kritisch. Een Dolf Jansen-dingetje, maar dan op halve snelheid. En toen begon het me te dagen: help, dit wordt cabaret! Zomer en Fiselier zongen prima. Niet op volle sterkte en ondanks de geluidsversterking maar deels te verstaan in de teksten van Ivo de Wijs, maar het zijn vocale kanjers. De afgevlakte aria’s waren meestal nogal kort en lieten niet echt een verhaal ontstaan op het podium. Tot vervelens toe werd herhaald dat het onbegrijpelijk zou zijn en dat toelichting noodzakelijk was. Het bleek de bedoeling dat het publiek na ieder liedje klapte en zo ontstond de klassieke opbouw van een echte cabaretavond: praatje, grapje, liedje, applausje. En dat ging maar door.
Er was heus wel wat te genieten. ‘Dove sono i bei momenti’, de aria van de Gravin, zong Johannette Zomer met de van haar bekende grote kwaliteit. En het NBE, daar is muzikaal ook geen speld tussen te krijgen. In zijn slottekst kwam verteller Schneemann terug op de opening en destilleerde er een moraal uit. Iets over Mozart als allochtoon. Ik zei het al: cabaret.
Goede stemmen, een prima ensemble en schitterende muziek, en toch werkt dat niet als het door mensen wordt gedaan die weliswaar heel goed in hun vak zijn, maar hun cabaretdiploma bij InHolland gehaald hebben.
__________________________________
De bruiloft van Figaro!
W.A. Mozart
Nederlands Blazers Ensemble o.l.v. Bart Schneemann (hobo)
Solisten: Johannette Zomer (sopraan) en Frans Fiselier (bariton)
12 mei 2011 De Doelen - Rotterdam.

woensdag 4 mei 2011

4 mei 2011 in Rotterdam

Er waren weer veel mensen stil, vandaag, om 20 u. op het Stadhuisplein. Om terug te denken aan wat er gebeurde in de oorlog. En daarna.
Maar een paar honderd meter van de plek waar we stil waren, stond het huis van mijn vader, aan de Delftsevaart. Het werd verwoest bij het bombardement van 10 mei 1940. Een gebeurtenis die, zo bedacht ik, niet alleen in de zielen van de mensen die het overleefden staat gekrast, maar ook in de 'ziel' van de stad. We waren stil, ook vanwege de mensen die omkwamen bij dat bombardement. De stad was en is getuige.